Geen besmetting aan te tonen, maar toch ‘chronische COVID-19’?

Ik hoorde een van onze intensivisten tegen een intensive care verpleegkundige zeggen, nadat zij samen post-covid spreekuur hadden gedaan, dat hij verbaasd was dat veel patiënten het ‘zo goed deden’. Patiënten die wij in maart-april doodziek op de intensive care hadden behandeld waarbij zij mechanisch beademd waren geweest en die nu op het spreekuur kwamen. 

In dezelfde week las ik het artikel ‘Long haulers are redefining COVID-19’ van Ed Yong in The Atlantic. Hij schrijft daarin dat van ‘of 1400 long haulers, two thirds of those who had antibody tests got negative results, even though their symptoms were consistent with COVID-19’ en ‘Of the long haulers, most are women. Their average age is 44. Most were formerly fit and healthy. They look very different from the typical portrait of a COVID-19 patient – an elderly person with preexisting health problems’. De patiënten voelden zich onbegrepen, artsen hadden tegen hun gezegd dat zij wellicht Chronisch Vermoeidheid Syndroom (Chronic Fatigue Syndrome) of Myalgische Encefalopathie (Myalgic encephalomyelitis) hadden, hetgeen zij als een onterechte diagnose zagen. Het was écht COVID-19. 

Het wordt gezien als een beperking van de moderne geneeskunde: de mogelijkheid om chronische pijn, chronische vermoeidheid, brainfog en andere cognitieve stoornissen, en een breed scala aan andere niet somatisch te verklaren verschijnselen en klachten. Voor de patiënten zijn de klachten reëel maar voor de artsen niet te verklaren omdat geen lichamelijke oorzaak is te vinden. Niet bij lichamelijk onderzoek, niet bij röntgenonderzoek, niet bij uitgebreid bloedonderzoek en onderzoek van andere lichaamsvochten zoals urine of liquor cerebrospinalis. Frustrerend voor patiënten, diens naasten en de hulpverleners. Het is daarom geenszins verbazend dat veel patiënten de oorzaak van hun lijden zien in een chronische lichamelijke ziekte. Vooral chronische infectieziekten zijn hierbij veelvuldig genoemd, zoals Candida, Brucella, poliomyelitis (kinderverlamming), Epstien-Barr virus (ziekte van Pfeiffer) en Borrelia burgdorferi (ziekte van Lyme). Daarnaast worden veel andere externe factoren verantwoordelijk geacht: straling, 5G, hoogspanningsmasten, zendmasten, chemische stoffen, enzovoort. Ook ziekten zoals chronische vermoeidheidssyndroom en fibromyalgie worden veelal onder onverklaarbare ziekten geschaard. De patiënten lijden, soms levenslang onder hun klachten. 

Chronische ziekte van Lyme is een van de meest bekende ‘onverklaarbare’ chronische (post)infectieziekten. Er kunnen geen antistoffen of actieve infectie worden aangetoond, langdurige antibiotica heeft, bij gerandomiseerd onderzoek, doorgaans hetzelfde effect als een placebo. De groep patiënten is zeer heterogeen. Niet verbazend is het dat de patiënten geen gehoor vinden in de reguliere geneeskunde, maar ook alternatieve behandelingen falen in de zin dat de verschijnselen niet (volledig) verdwijnen. Vele patiënten hebben dure, tijdrovende, ingrijpende maar uiteindelijk vruchteloze behandelingen ondergaan en voelen zich onbegrepen en uitgestoten. 

1934, Los Angeles, verpleegkundigen met ‘Chronic polio’

In 1934 werd ‘myalgische encefalomyelitis’ (ME) (het werd toen ‘atypical polio’ genoemd) voor het eerst beschreven toen in Los Angeles een groep verpleegkundigen een breed scala aan atypische verschijnselen kreeg. 75% van de patiënten was vrouwelijk en jonger dan 30 jaar. Er is nooit een direct verband gevonden met de ‘echte’ kinderverlamming. De term ME werd in 1957 in het Britisch Medical Journal beschreven in het artikel ‘An outbreak of encephalomyelitis’. Ook hier werden vooral vrouwelijk verpleegkundigen in het Royal Free Hospitalin London getroffen. Het werd daarom ook wel ‘Royal Free Disease’ genoemd. De neurologen/psychiaters McEvedy en Beard gaven in het Britisch Journal of Psychiatry (1973; 122; 141-150) hun (psychiatrische) mening over het incident en noemden het ‘Mass hysteria’. De voornaamste reden hiervoor was dat er geen enkele klacht objectief kon worden verklaard, de patiënten neurologisch helemaal ‘normaal’ waren en dat het hoofdzakelijk jonge vrouwen waren die getroffen werden. Hoewel door velen (met name door de patiënten zelf) tegengesproken blijken ME en CVS controversiële diagnosen. Dit komt met name omdat reguliere artsen niets kunnen doen voor de patiënten en dat daarom niet bij een bepaalde specialist (neuroloog, infectioloog) zijn onder te brengen. Daarnaast zijn de verschijnselen aspecifiek en breed. Vele reguliere artsen accepteren ME en CVS dan niet als ziekten. De Vereniging tegen de kwakzalverij noemt het daarom een ‘modeziekte’ of ‘non-disease’. Anderen noemden het ‘The stress of living in the 20th century’ of de ‘Yuppie flu’. Daarnaast willen patiënten het label ME/CVS niet hebben. Het heeft een slechte naam.

In 1829 beschreef John Mason Good in zijn boek ‘The study of medicine’ het beeld van Neurasthenia. In 1869 hield de Amerikaanse neuroloog Georg Miller Beard (1839-1883) een voordracht over ‘Neurasthenia, or nervous exhaustion’. Een verslag verscheen op 29 april 1869 in het Boston Medical and Surgical Journal. De verschijnselen die hij beschreef waren grotendeels identiek met ME/CVS en de onverklaarbare syndromen die ten tijde van infectieziekten (zoals polio, borreliose, etc.) voorkomen. Beard verklaarde de uitputting van het zenuwstelsel door de toename van het stressvolle leven in drukke steden met alle belasting en verantwoordelijkheid. Hij schreef er twee boeken over en noemde het de ‘American disease’. 

Het lijkt alsof de clusters van verschijnselen allemaal over hetzelfde gaan: Neurasthenia, Postviral fatigue syndrome, Benign myalgic encephalomyelitis , Chronic fatigue syndrome, Bodily distress disorder, post-lyme syndrome, atypical polio, etc.

Kenmerkend is dat voor geen van de genoemde syndromen objectieve aanwijzingen zijn die de verschijnselen kunnen verklaren. Daarom worden het ook SOLK (Somatisch Onvoldoende verklaarde Lichamelijke Klachten) genoemd. SOLK wordt door reguliere artsen gebruikt als ‘uitsluiting diagnose’ wanneer er geen somatische, bewijsbare, aandoeningen gevonden worden die de klachten verklaren. Er wordt dan een voornamelijk psychische component vermoed en de somatische artsen verwijzen naar psychologische en psychiatrische hulpverleners. In de DSM (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) wordt SOLK samengevat in Somatic Symptom Disorder (Somatoform disorder)

Zijn de ‘long COVID-19 haulers’ die Ed Yong beschrijft te zien als SOLK? Of is er wel degelijk sprake van een effect van besmetting met SARS-CoV-2? Ook al zijn bij herhaling geen antilichamen tegen de ziekte aan te tonen? Er is nu niemand meer die claimt dat hij/zij ‘Atypische polio’ heeft, omdat polio in de westerse wereld geen ziekte van betekenis meer is.

Er zijn sommige patiënten met bewezen en adequaat behandelde borreliose die daarna vage klachten overhouden. Het Post-treatment Lyme disease syndrome (PTLDS) maar er is ook een grote groep patiënten waarbij besmetting met borrelia bij herhaling niet aangetoond kan worden en toch een breed scala aan klachten hebben en claimen chronisch Lyme te hebben. Zij hebben SOLK.

Er zijn nu patiënten die bewezen COVID-19 hebben gehad en daar klachten van overhouden. In analogie met borreliose ‘Post-treatment COVID-19 syndrome’, maar wellicht ook een grote groep patiënten waarbij besmetting met SARS-CoV-2 bij herhaling niet aangetoond kan worden en nu claimen chronische COVID-19 te hebben.

Het Longfonds meldde onlangs dat 95% van coronapatiënten zes maanden na de besmetting nog steeds klachten hadden. De mean stream media nam dit nieuws zonder enige eigen research als waarheid over. Alles om het virus ‘als vreselijk’ in het nieuws te brengen. Nog meer angst zaaien. Maar ach, het longfonds had leden van de Facebookpagina ‘Corona ervaringen en langdurig klachten‘ geworven. 2113 deelnemers waarvan ‘slechts’ bij 345 antistoffen tegen SARS-CoV-2 waren vastgesteld. De meeste deelnemers zeiden zelf COVID-19 gehad te hebben, zonder dat dit ooit was vastgesteld. Dus in de prullenbak met dit onderzoek. Confounders te over.

Herhaalt de geschiedenis zich weer maar nu met een nieuw actueel label? Zullen wij ‘langdurige COVID-19’, net als bij ander infectieziekten, bij de meeste getroffenen uiteindelijk als SOLK bestempelen? Of zal het ‘ziektebeeld’ met het verdwijnen van SARS-CoV-2 ook weer verdwijnen? De tijd zal het leren. 

Er zit een luchtje aan chronische borreliose

Chronische borreliose kan aanleiding geven tot een lange reeks van neuro-psychiatrische klachten. Een bijna volledige opsomming wordt door Robert Bransfield gegeven.  Een van de in dit overzicht beschreven klachten is dat patienten geuren ruiken die niet door anderen (gezonden) geroken worden, of dat zij een geur nog heel lang ‘na blijven ruiken’ of geuren overdreven sterk ruiken. Voor veel patienten zijn dit beangstigende ervaringen. Sommigen worden van temporale epilepsie verdacht, maar uiteindelijk wordt niets afwijkends gevonden.

Bij mij zelf waren deze reukproblemen prominente symptomen van chronische neuroborreliose. Ik rook de geur van jute, sigarettenrook en vanille waar het niet aanwezig was. Een kort verblijf in een ruimte waar sigaretten gerookt werden resulteerde erin dat ik de stank nog uren na vertrek uit de ruimte rook. Ook ‘triggerde’ bijvoorbeeld de geur van het bakken van aardappelen tot een overdreven geursensatie. Hoewel veel van de chronische klachten van de chronische infectie na een maand intraveneuze antibiotica verdwenen zijn zijn deze symptomen veel hardnekkiger. Ik ervaar ze aanzienlijk minder, maar nog steeds zijn ze af en toe aanwezig. De phantosmia is bij veel mensen te stoppen door een van de neusgaten dicht te houden. De geur verdwijnt dan. Een andere adequte manier om van de constante geur af te komen is slapen. Na een goede slaapsessie is de geur verdwenen.

De reukproblemen komen vaker voor. Op allerlei forums over Lyme disease worden ze wel genoemd. Op het Lyme Disease Community forum vond ik de volgende reactie:

Now that I have been treated (but not yet fully well), all that has disappeared, but some months ago I began smelling strong odors that weren’t there (olfactory hallucinations).  It doesn’t happen often, but I will sometimes wake up in the middle of the night and deep in my sinuses will smell something awful:  stinky, rotten, bitter.  It lasts only a minute or two, and then I sometimes feel nauseous and feel a wave pass through me.  Then it’s gone.  Only once did it happen three times in one night, and in one set, there were perhaps 10 or 12 ‘waves’ of it one after the other, and it made me very nauseous.

Het verhaal van deze vrouw is typisch voor Lyme-gerelateerde phantosmia. ‘s-Nachts wakker worden en de geur ruiken die er niet is. Ik heb dit de afgelopen jaren van vele mensen met chronische borreliose gehoord. Het blijkt  geen zeldzaam verschijnsel. Opvallend is dat bij veel patienten met deze verschijnselen witte-stof afwijkingen te zien zijn op een MRIscan van de hersenen.

Een interessante verklaring voor de verschijnselen vond ik op een ander Amerikaans Lyme forum:

I have a hypothesis to offer you to explain this phenomenon:

In the “ceiling” of the nasal cavity inside the nose, there are small patches called the olfactory epithelium. This epithelium is composed of olfactory neurons and supporting cells (aka sustentacular cells). There are also cells that secrete mucus.

The olfactory neurons have little fingers on their surfaces, called cilia. These protrude into the nasal cavity and are covered with mucus secreted by the cells that make it. The olfactory neurons are specialized to detect certain types of molecules, which produce certain distinctive smells. The neurons that detect the same substance are coupled together, and their signals are sent to the brain via the olfactory nerve.

Now, here’s the key part: one of the inportant jobs of the sustentacular cells is to break down the substances after they have been detected by the olfactory neurons. This is necessary to clear the “detector” so that it will sense newly arriving molecules. It is also necessary because some of these substances are toxic.

The sustentacular cells incorporate cytochrome P450 molecules to break down these substances in Phase I detoxication. The concentrations of these molecules are actually higher in the sustentacular cells than they are in the cells of the liver, where much of the body’s detoxication goes on.

As the CYP 450 molecules to do their job, they generate superoxide ions, which are oxidizing free radicals. These are converted to hydrogen peroxide by superoxide dismutase enzymes. Now here’s the problem: Glutathione is necessary to take care of the hydrogen peroxide, so that it does not do damage to the cells, and so that the detoxication can continue. But in CFS, glutathione is depleted. The result is that the sustentacular cells cannot do their job properly. This can cause the sense of smell to become very sensitive, and it can cause smells to persist. It can also allow damage to the membranes of the neurons, and can allow toxic substances to enter the neurons and to be transported to the brain. I believe that this latter process is responsible for multiple chemical sensitivity.

If anyone wants to test this hypothesis, there is a glutathione nasal spray available by prescription from Key Pharmacy in Kent, Washington. This is commonly prescribed for MCS, but I think it would probably help with the odd smells as well. I would be very interested to hear whether this would work.

Ultimately, the solution to this problem and to CFS in general (in most cases, at least) is to lift the partial methylation cycle block, which is what holds glutathione down. I have posted several times about the Vitamin Diagnostics methylation pathways panel for testing for the partial methylation cycle block and the simplified treatment approach for treating it.

Er is (nog) geen bewijs dat het zo werkt, maar de redenatie is vermeldenswaardig. Wellicht horen we hier nog meer van.

Lyme: het is en blijft de grote imitator. In dit geval imiteert de Borrelia temporale epilepsie.

Graag hoor ik reacties van andere chronische Lyme-lijders met betrekking tot de geur symptomen.

Atypische paniekaanvallen kunnen een uiting zijn van chronische borreliose

Borreliose (ziekte van Lyme) is een acute infectieziekte, maar kent ook een chronische variant. Net als syphilis wordt borreliose door een spirocheet veroorzaakt. Net als syphilis is de ziekte in chronische vorm een multisysteemziekte, wat wil zeggen dat meerdere orgaansystemen aangedaan kunnen zijn. Net als syphilis in de vorige eeuwen wordt chronische borreliose de ‘grote imitator’ genoemd. De neurologische en neuro-psychiatrische verschijnselen van chronische syphilis en chronische borreliose lijken op ‘gewone’ neurologische en psychiatrische aandoeningen, zijn vaak aspecifiek en daardoor worden veel artsen en psychiaters op het verkeerde been gezet als zij een patient krijgen met dit soort aspecifieke verschijnselen.

Neem bijvoorbeeld paniek-aanvallen (panic-attacks) als uiting van een paniekstoornis. De paniekstoornis is een psychische aandoening die ingedeeld wordt bij de angststoornissen. Kenmerkend is een ‘out-of-the-blue’ optreden van lichamelijke verschijnselen (snelle ademhaling, snelle hartslag, trillende spieren, duizeligheid) die gepaard gaat met grote angst. De persoon denkt dat hij/zij dood gaat of een acute zeer ernstige aandoening aan het krijgen is (zoals een beroerte). Ook kan de persoon depersonalisatie of derealisatie ervaren. Een paniekstoornis (meerdere paniekaanvallen) gaat vaak gepaard met agorafobie (pleinvrees). De persoon gaat de situatie waar hij/zij een eerdere aanval heeft doorgemaakt vermijden. Een paniekstoornis kan invaliderend zijn in de zin dat een persoon die er aan lijdt het huis niet meer uitkomt en zich sociaal isoleert. Als oorzaak wordt vaak erfelijkheid (meerdere personen in een familie lijden eraan), ernstige levenservaringen meemaken of een lichamelijke aandoening (zoals een mitralisklepprolaps) genoemd.

En dan zijn er mensen die vol in het leven staan, geen erfelijke belasting hebben voor paniekstoornis, die geen mitralisklepprolaps hebben, geen grote life-events hebben meegemaakt en toch ineens een paniek aanval of meerdere paniekaanvallen krijgen. Ze schrikken zich rot, gaan na de eerste aanval vaak naar een spoedeisendehulpafdeling of huisarts. Als de aanvallen aanhouden gaan ze veelal het ‘medische circuit’ in. Ze gaan naar psychiaters, neurologen en cardiologen, maar die kunnen niets vinden. Ze worden vaak naar huis gestuurd met een label ‘hyperventilatie’, ‘hypochonder’ of ‘aansteller’.

Hun paniekaanvallen zijn vaak atypisch, niet volgens het boekje. Vrijwel nooit hebben ze agorafobie. Een gemiddelde ‘normale’ paniekaanval duurt kort, meestal minuten (maximaal een half uur). Een atypische paniekaanval duurt veel langer, tot uren toe. Personen die deze atypische aanvallen hebben zijn ook vaak overgevoelig voor licht en geluid, hebben vaak gewrichtspijnen en lijden opvallend vaak aan ‘brain-fog’, concentratiestoornissen en vergeetachtigheid. Allemaal atypisch voor gewone paniekstoornis.

De paniekaanvallen bij deze personen zouden heel goed te duiden kunnen zijn als uiting van chronische neuroborreliose. In november 2000 beschreef de Amerikaanse psychiater Virginia Sherr in het Journal of Psychiatric Practice in het artikel Panic attacks may reveal previously unsuspected chronic disseminated Lyme disease, drie patienten met atypische paniekaanvallen. Ik vond dit artikel op internet in 2007 nadat ik een reeks van atypische paniekaanvallen had doorgemaakt. Het was voor mij de sleutel tot een verklaring van jaren van atypische systeemklachten. Ik bleek chronische borreliose te hebben, kreeg een maand lang intraveneus Ceftriaxon en heb daarna nooit meer een paniekaanval doorgemaakt. Ik beschreef mijn ervaringen in Medisch Contact. Daarna heb ik vele tientallen brieven en emails ontvangen van mensen die ook atypische paniekaanvallen hadden doorgemaakt. Sommigen waren gediagnosticeerd als lijdende aan chronische neuroborreliose, kregen therapie en genazen. Andere werden voor hyperventilator, hypochonder of aansteller uitgemaakt en tobden voort. Ik heb, buiten het artikel in Medisch Contact mijn eigen ervaringen nogmaals als case report opgeschreven en naar het American Journal of Psychiatry gestuurd. Ik kreeg het terug met de mededeling dat het niet gepubliceerd zou worden omdat ik volgens de reviewers en de editor van het tijdschrift iets had beschreven dat niet zou bestaan. We hebben nog een lange weg te gaan. De macht van vooringenomen artsen en verzekeringsmaatschappijen is enorm. Anderen mensen die mij naar aanleiding van mijn Medisch Contact artikel schreven waren op zoek naar artsen of psychiaters die hen ‘geloofden’. Een uitdaging voor artsen en met name psychiaters om atypische paniekaanvallen te herkennen en de lijder een eerlijke kans op genezing aan te bieden.