Geanticipeerde risico-nemingsschaamte

Schermafbeelding 2020-05-25 om 12.05.32

Anderhalve meter bij elkaar vandaan blijven is, tijdens de huidige coronacrisis, een tijdelijke abnormale regel die bedoeld is om overdracht van het virus te voorkomen en te beperken. Er is veel onduidelijkheid over of de regel nu wel of niet werkt voor iedereen. Is anderhalve meter wel genoeg? Of is een meter al genoeg? Of is zes meter nog niet genoeg? Heeft het alleen zin in slecht geventileerde ruimten waar veel mensen bij elkaar zijn? En heeft het geen zin om anderhalve afstand te nemen in de buitenlucht? Is het zinvol bij jonge mensen die geen contact hebben met oudere en  kwetsbare mensen? Er is heel veel onduidelijk en daarom is het wellicht verstandig om in deze tijd in alle omstandigheden deze anderhalve meter regel te volgen. En dat doen we met ons allen vanuit vanuit angst en solidariteit. Maar hoe lang gaan we dit volhouden? Krijgen we een samenleving waarin anderhalve meter afstand tot elkaar normaal is geworden? De incidentie van besmettingen, ziekenhuisopnames en overlijdens daalt de laatste weken gestaag. Wellicht doordat de meeste mensen zichzelf streng aan de opgelegde regels hielden. Maar zeker weten we dat niet. Er is groepsimmuniteit hetgeen wil zeggen dat mensen ondanks alle regels toch besmet zijn geweest zonder dat ze daar iets van gemerkt hebben. Maar er dreigt, zo zeggen de virologen in de mainstreammedia ons, een tweede golf van besmettingen en dus ziekenhuisopnames en overlijdens. Wat dan? Wéér een lockdown, en un strenger? De collectieve economische en psychologische schade aan de samenleving is al aanzienlijk en het is nu nog onvoorspelbaar hoe groot deze werkelijk zal zijn.

Deze onzekerheid genereert angst in de samenleving en doet mensen de onzichtbare risico’s mijden en er ontstaat als gevolg geanticipeerde risicomijding en weer als gevolg dáárvan geanticipeerde risiconemingsschaamte. Het genereert groepsdenken en geïnternaliseerde risicomijding. Het is allemaal razend ingewikkeld.

Leven met risico’s Risicoloos leven is onmogelijk, maar het is mensen eigen om dit risico zo veel mogelijk te beperken. We sluiten bijvoorbeeld verzekeringen af om de financiële risico’s van onvoorziene incidenten af te dekken. Zo is er, wanneer je deelneemt aan het verkeer een risico op het veroorzaken van een verkeersongeval. Dat is een dagelijks risico. Je kunt niet voorspellen of je betrokken raakt bij een ongeval. Om te voorkomen dat we door zoiets onvoorziens  financieel in de problemen komen sluiten we dus een verzekering af. Zo heeft vrijwel iedereen een ‘wettelijke aansprakelijkheidsverzekering’ afgesloten. Het risico dat je andere mensen schade kunt berokkenen is reëel aanwezig en om de financiële gevolgen van de schade te beperken sluiten we een verzekering af. Of je laat je testen op darmkanker. Je laat een MRI-scan maken terwijl je geen klachten hebt. Hierdoor kunnen we tot op zekere hoogte gewoon en in zekere mate onbekommerd leven in de wetenschap dat risico’s erbij horen maar dat we voor de gevolgen beschermd zijn. Het geeft een gevoel van veiligheid.

Het risico op het krijgen van een ziekte is voor mensen reëel. In bepaalde periodes van het leven lopen mensen meer risico’s op het krijgen van ziekten. Gevorderde leeftijd doet het risico op ziekten toenemen: het immuunsysteem gaat  toenemend falen. Dit is de reden dat veel ziekten pas optreden in de ouderdom. Een man van twintig krijgt niet de ziekten waar zeventigjarigen veelvuldig aan lijden. Dit heeft ook te maken met leefstijl. Een ongezonde leefstijl vergroot het risico op het krijgen van leefstijl gerelateerde ziekten zoals atherosclerose (met hartinfarcten en beroerten als gevolg), bepaalde vormen van kanker, diabetes mellitus type 2 en hypertensie. Ook op jonge leeftijd. Iemand die het risico op het krijgen van dit soort ziekten wil voorkomen of beperken kiest voor een bepaalde leefstijl, bijvoorbeeld veganisme of sporten. Anderen nemen geen maatregelen tot het voorkomen van leefstijlziekten en zien in de gezondheidszorg een garantie/verzekering tot oplossing van de gevolgen van het genomen risico. Een groot deel van de geneeskunde is gericht op het behandelen van de uitingen van chronische leefstijlziekten. “Krijg ik een hartinfarct, dan krijg ik een stent en pillen”. Velen zien dit als een verzekering voor de risico’s van de gekozen leefstijl.

Velen zullen redeneren dat leven zonder risico’s slechts een basaal biologisch bestaan is zonder de kersjes op de appelmoes. Bepaalde risico’s nemen en accepteren maakt het leven immers ook aangenaam. Volkomen risicoloos leven is dodelijk voor een aangenaam sociaal en cultureel leven. Wat is er immers lekkerder dan met je vrienden een dampende pizza te eten, ook al loop je daarbij, wanneer je dat heel vaak doet, het risico op bepaalde ziekten. Het roken van sigaretten geeft een fors risico op longkanker en vele andere ziekten, maar niet roken zal voor het individu gevolgen hebben voor diens welbevinden. Wat is het heerlijk om met de auto naar zuid Frankrijk te rijden terwijl we weten dat er het risico is op een auto-ongeval. Wat is het fijn om bergen te beklimmen terwijl we weten dat we daar af kunnen vallen. Mensen gaan intiem met dieren om, ook al weten ze dat een nare zoönose op de loer kan liggen. Wat is het fijn om naar de tropen te gaan terwijl we weten dat we het risico te nemen op nare infecties. Daar anticipeer je dan weer op met vaccinaties. Moet je iemand niet meer zoenen vanuit de vrees een koortslip of ziekte van Pfeiffer op te lopen? Alsjeblieft niet. Wat is het heerlijk om naar grote events en samenscholingen van mensen te gaan ook al weet je dat je het oplopen van een infectieziekte riskeert. Zeker als het risico na het oplopen van de infectie niet direct zal leiden tot een ernstige ziekte of dood.  Zo redeneren de meeste mensen al vele jaren tijdens de seizoensgriep. Deze griep is niet dodelijk voor mij, dus neem ik het risico op besmetting voor lief. Ik ga daar niet voor thuisblijven. Tijdens het heersen van de seizoensgriep houden heel weinig mensen rekening met het risico op de het krijgen ervan Als het gewoon griep is: nou dan zieken ze wel uit. Mensen nemen het risico omdat het vermijden ervan  grote gevolgen heeft voor aangenaam persoonlijk, sociaal en cultureel leven en geluk. Ténzij je tot een risicogroep behoort en  je wél dramatische gevolgen van de besmetting kunt oplopen en een risico op overlijden loopt. Dan moet je jezelf beschermen met als gevolg dat je je sociale en culturele leven daardoor beperkt.

Schermafbeelding 2020-05-25 om 12.11.56

Wat is geanticipeerde risicovermijding? Ikzelf leef mijn leven in een risicovolle wereld. Maar ik weet dat risicoloos leven saai en funest is voor mijn persoonlijke, sociale en culturele leven en geluk. Ik rijd dus redelijk onbekommerd in mijn auto over de snelwegen. Ik weet dat ik dan risico’s door eigen gedrag zo veel mogelijk vermijd door mij aan de snelheid en verkeersregels te houden, maar ik weet niet of anderen dat eveneens doen en mij niet in gevaar zullen brengen. Ik calculeer dit in omdat ik met mijn auto ergens heen wil gaan. Ik anticipeer daarop. Ook loop ik overal een risico op besmetting met bacteriën en virussen. Maar ik calculeer dat in als een normaal risico in mijn normale leven. Mensen hebben mij gevraagd of ik niet bang ben om met een virus besmet te raken. Ik ben dat nooit geweest, niet bij influenza maar ook niet bij corona. ‘Maar als je dan ziek wordt en doodgaat?’ vragen zij mij in verbijstering. ‘Dan is dat zo’, zeg ik dan nuchter. En ik meen dit echt. Ik anticipeer op de risico’s door deze in het redelijke te vermijden en te aanvaarden dat een risicoloos leven voor mij persoonlijk echt onleefbaar is en ook omdat het leven nu eenmaal eindig is. Ik wil op mijn sterfbed kunnen zeggen geleefd en beleefd te hebben, vele mooie herinneringen verzameld te hebben, intiem en oprecht met mooie mensen omgegaan te zijn . Dat is voor mij een goed leven. Na een goed leven komt een goed sterven. Goed in de zin van aanvaarding. Ik wil niet in angst mijn leven leven door totaal zonder risico’s te leven.

Wat is risiconemingsschaamte? Oké, je calculeert het risico voor jezelf in en leeft daarnaar. Maar er zijn ook nog andere mensen. Als je risicovol leeft loop je het risico jezelf maar ook anderen te schaden. Veel te hard in je auto rijden kan een gevaar voor jezelf én anderen betekenen. Zonder condoom seksueel contact hebben als je weet dat je een geslachtziekte hebt kan een gevaar voor anderen betekenen. Je niet aan de anderhalve-meter regel houden kan een gevaar voor anderen betekenen. Maar het is eveneens menselijk om die risico’s in realiteit af te wegen en je leven dan daarop in te richten. Ook in solidariteit tot anderen. Veel rokers nemen het risico op longkanker voor lief, maar gaan naar buiten om te roken.

Maar aan longkanker kleeft een stigma. Je had het immers kunnen voorkomen. Daar kan je je, onder de sociale veroordeling, voor gaan schamen. Dat is risico-nemingsschaamte. De roker kan zeggen dat hij zich schaamt het risico op longkanker niet te hebben vermeden. Ze vinden hem daarom onverantwoord. Anderen schamen zich voor hun overgewicht door de sociale veroordeling en fat-shaming.

Wat is geanticipeerde risico-nemingsschaamte? Iemand is van mening dat hij risico’s zo goed mogelijk weet te vermijden en leeft daarna zijn voor hem en anderen waardevolle sociale en culturele leven naar. Geanticipeerde risiconeming en risicovermijding. Iemand internaliseert dit in zichzelf. Hij weet dat de risico’s die hij neemt en vermijdt reëel zijn en dat het daarom is dat hij goed handelt. Voor zichzelf en anderen. Anders is het wanneer gevoeld wordt dat het risico voor overdracht van bijvoorbeeld het ongrijpbaar virus wanneer de persoonlijke gevolgen klein zijn. Dan voelt hij weerstand als het volgen van de risicovermijding grote gevolgen heeft voor zijn persoonlijke, sociale en culturele geluk. Dan ontstaat er een intern conflict. Ik heb diverse weldenkende mensen gesproken die, zij het beperkt, met persoonlijke contacten niet aan opgelegde social distancing houden. Wel in het publieke domein, maar niet onder vrienden. Samen met een vriend of vriendin in de auto zitten, hen thuis bezoeken, hen omhelzen, zoenen en daarbij geen anderhalve meter afstand houden. Wat sommigen dan te horen kregen van anderen: ‘Maar wat als je nu iemand (je moeder, vader, opa, oma, buurman, neef, nicht, bakker, etc) besmet en dat die doodgaat? Ben je dan tevreden?’ Je bedenkt je dan dat je daarvoor zou kunnen gaan schamen en dat je je daarvoor sociaal veroordeeld zal kunnen worden. Velen zullen zich daarom conformeren en tegen hun eigen oordeel en eigen risico inschatting in géén vrienden meer bezoeken zonder de anderhalve meter regels te volgen. Deze mogelijke schaamte doet mensen geanticipeerd risico’s mijden die voor hun gevoel niet reëel zijn. Dat is geanticipeerde risico-nemingsschaamte. Dit is voor veel mensen heel moeilijk. Ik worstel zelf ook met dit interne conflict. Ik zie de laatste maanden met enige regelmaat twee vrienden en een vriendin (niet gerelateerd) en dat brengt hen en mij veel geluk. Echter ik voel wel degelijk de maatschappelijke druk dat men oordeelt dat wij onverantwoord risico’s nemen terwijl wij zelf totaal niet daarvan overtuigd zijn. Ik worstel ermee omdat hetgeen wij doen volkomen normaal en wenselijk intermenselijk gedrag is. Ik schaam mij dan mogelijk voor mijn normale gedrag. Ik voel dan dat ik in het oordeel van anderen onveilig leef, asociaal ben en niet solidair, terwijl dat in werkelijkheid helemaal niet zo is. Het is eigenlijk heel onnatuurlijk en niet gezond zo te denken.

Internaliseren van risicovermijding De angst om niet te besmetten en niet besmet te raken is in de coronacrisis in zowel de samenleving als in individuen sluipend maar snel geïnternaliseerd. Bijna iedereen voelt dit en handelt ernaar. Er bestaat nu ineens de angst voor ziekte en dood van onszelf en anderen en de drang dit koste wat het kost te voorkomen. Wat bij andere ziekten helemaal niet zo gevoeld wordt. Ik kan mij vanuit de moderne tijd niet een zodanige collectieve angst voor enige ziekte en dood herinneren.

Ook bij mijzelf voel ik deze (hopelijk tijdelijke) internalisering van risicovermijding. Ik houd afstand van mensen, ik geef geen handen meer, ik omhels en zoen geen mensen meer, met enkele uitzonderingen. Maar omdat afstand nemen tot mensen, geen handen geven, niet zoenen, niet omhelzen voor mij écht abnormaal gedrag is internaliseer ik deze risicovermijding als abnormaal en tijdelijk en daarom vergis ik mij, in mijn natuurlijke enthousiasme en oprechte gevoelens, af en toe. Soms, achteraf, tot mijn nieuw gevormde geïnternaliseerde schaamte, en sta ik ineens veel te dicht bij mensen, of geef ik anderen een hand, omhels ik hen of rijd ik met onbekenden in de auto mee. Door de opgelegde nieuwe geïnternaliseerde collectieve angst schrik ik daarvan, schaam ik mij en corrigeer ik snel mijn gedrag.  Ik schrik dan vervolgens weer van mijn nieuwe rare gedrag waarvan ik weet dat het voor mij écht abnormaal is. Het is heel complex en verwarrend.

Ik hoop oprecht dat ik weer zonder fysieke afstand en onbekommerd met anderen kan leven. En ik weer zelf mag bepalen welke risico’s ik neem of wil vermijden, óók voor en samen met anderen, en daardoor ik weer geluk kan ervaren in het door mij gekozen leven. Zonder schrik en schaamte voor het door mij en anderen zo gewenste en volkomen normale handelen.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

De waarde van een hand geven en de noodzaak van het vasthouden van een hand

Schermafbeelding 2020-05-24 om 15.11.47

Ik ben iemand die het liefst iedereen bij de begroeting en afscheid een hand schud. Ik doe dat zelfs als ik in een winkel iets koop. Dan geef ik de verkoper na betaling een hand. Velen zijn daardoor aangenaam verrast. Ik doe dat mijn hele leven al en schud dus vele handen per dag. Het kan mij niet vaak genoeg plaatsvinden.

In de coronatijd wordt het geven van handen en ander fysiek contact afgeraden. Met onze handen raken we immers veel aan, met name ons eigen lichaam. Vele malen per dag raken we ons eigen gezicht aan. Mijn moeder heeft mij lang geleden geleerd dat als ik moest niezen ‘ik mijn hand voor mijn mond en neus moest houden’. Ook bij gapen is het beleefd je hand voor je open mond te houden. Als mensen ergens van schrikken houden zij hun hand voor hun mond. Ik poets, nadenkend, vele, vele malen per dag over mijn snor en baard.

Bij een virus als het coronavirus zit bij een besmet iemand het virus in snot, slijm, en uitgeademde lucht uit neus, mond en luchtwegen. en de omgeving daarvan En dus al snel ook aan de handen. Geef je dan iemand een hand, en diegene zit vervolgens aan zijn eigen gezicht, dan is besmetting met virussen een serieus gevaar. Het regelmatig wassen van handen met water en zeep kan echter veel narigheid voorkomen. En geen handen meer geven.

Ik heb mij, vanuit de bij mij diep geankerde gewoonte tot het geven van handen, de laatste weken meerdere malen vergist. Ik stak een hand uit ter begroeting, afscheid, ter bevestiging van iets of als dankbetuiging. Vroeger pakte eigenlijk iedereen dan mijn uitgestoken hand. De meeste mensen schrikken daar nu van terug. En daar schrik ik dan weer van. Dit doet mij elke keer weer realiseren dat het helemaal niet meer zo gewoon is om handen te geven. Sommigen maakten dezelfde vergissing en staken een hand uit naar mij en ik heb in de laatste weken, impulsief, al vele malen hartelijk de hand geschud. Mij realiserend dat deze voor mij zo gewone en zo enorm gewenste handeling in deze tijd (tijdelijk) ongewoon is, schrok ik en waste ik mijn handen; iets wat ik vóór de corona-crisis voorafgaande aan het geven van een hand  nooit deedIk conformeer mij daarbij aan het gestelde doel waar ik mij overigens volledig in kan vinden maar ik verzet mij er wel tegen om het niet geven van handen als normaal te gaan beschouwen. Mijn brein wil dat gewoon niet. Vandaar dat ik mij nog zo regelmatig vergis en een hand geef of ontvang. Het niet geven van een hand zit niet geankerd in mijn systeem. Ik hoop dat er weer een tijd komt waarin het geven van handen weer volkomen normaal is en niet meer iets onwenselijks. Wat fijn zou dat zijn. Maar ik ben niet zeker dat het ooit weer gewoon zal gaan worden.

Schermafbeelding 2020-05-24 om 15.40.57

Het geven van een hand, meestal de rechter , is een zeer gebruikelijke manier van begroeting en afscheid, om iets te benadrukken (bijvoorbeeld een handelsdeal of juridische overeenkomst ) of een felicitatie met wat dan ook. Ook geven man en vrouw (of man en man of vrouw en vrouw) elkaar de hand bij de huwelijksvoltrekking. Vredes tussen landen zijn door de eeuwen heen bezegeld doordat de leiders elkaar de hand schudden (de handdruk tussen Churchill, Truman en Stalin in 1945 en de bekende handdruk tussen Arafat en Rabin onder toeziend oog van Bill Clinton in 1993 zijn daar een fraaie voorbeelden van). Excuses voor wat dan ook worden in gelijkwaardigheid veelal, en voor de camera’s van de pers, bekrachtigd met een handdruk. Bij alle mogelijk riten is het geven van een hand een vast onderdeel van de vaak eeuwenoude vastgelegde gewoonten. Het geven van een hand is een krachtig teken van gelijkwaardigheid en respect en schept een band tussen de handengevers. In de meeste culturen wordt het weigeren van een handdruk dan ook gezien als respectloos. Toen op 19 november 2004 de imam Ahmad Salam de uitgestoken hand van Rita Verdonk weigerde was dat breaking front page news. 20 november 2009 was de nationale handschuddag om mensen dichter bij elkaar te brengen.

6a00d8341c897053ef0120a6ba0045970b
De imam Ahmad Salam weigert de uitgestoken hand van Rita Verdonk

 

Schermafbeelding 2020-05-24 om 15.04.45
Richard Nixon en Elvis Presley 21 december 1970
Schermafbeelding 2020-05-24 om 15.07.18
Winston Churchill, Harry Truman en Joseph Stalin, 25 juli 1945
Schermafbeelding 2020-05-24 om 15.08.51
Yotzhak Rabin en Yasser Arafat schudden elkaars hand onder toeziend oog van Bill Clinton op 13 september 1993

Vanwege de diepgewortelde gewoonte, symboliek en diepe betekenis is het advies om in de coronatijd helemaal geen handen meer te geven voor velen verwarrend. Als gezegd: reden voor mij, die respect en gelijkwaardigheid zeer hoog in het vaandel draagt, mij regelmatig te vergissen en hartelijk en oprecht een hand aan te bieden of bij aanbieding door een ander deze te schudden. Het weigeren van een aangeboden hand vind ik respectloos en beledigend, vandaar dat ik mij bij een aangeboden hand regelmatig vergis. Het hindert mij emotioneel dat ik een aangeboden hand moet weigeren of mijn hand niet mag aanbieden. Ook dat ik schrik als ik ‘per vergissing’ wel een hand geef. Het voelt zo onnatuurlijk en alsof ik de ander niet de moeite waard vind.  Maar ik respecteer in deze abnormale tijd de achterliggende reden en was mijn handen na het per vergissing geven van de hand dan maar grondig.

Old Hand Care Elderly

Naast het sociaal en intermenselijk bepaalde geven en schudden van een hand is het langdurig vasthouden van iemands hand ook zeer wenselijk fysiek gedrag. Het vasthouden van een hand van een stervende is bijvoorbeeld een algemeen aanvaard gebaar. Ik heb de handen van vele eenzame stervende patiënten vastgehouden. Als teken van connectie en troost. Stervenden worden rustiger als iemand hun hand vasthoud. Door de aanraking stijgt het hypothalamushormoon oxytocine in ons bloed en daalt het stresshormoon cortisol. Onze bloeddruk en hartslag daalt. Waarom doen we dat alleen in de stervensfase? Waarom houden we elkaars hand niet vast als we een persoonlijk gesprek met elkaar hebben? Waarom maken we dan niet de oprechte fysieke connectie? Is dat omdat we tijdens het sterven meestal niet meer verbaal communiceren? Ik geloof dat niet. Een hand langdurig vasthouden is een teken van oprechte intimiteit. Het is het doorbreken van een fysieke barrière. Wellicht durven we dat tegenwoordig in een tijd van #MeToo niet meer tijdens het gezonde leven omdat we het dan verwarren met seksualiteit. Het verwarren met een (ongepaste) seksuele toenadering? Het vasthouden van een hand kan immers alleen maar leiden tot meer lichamelijke toenadering zal men redeneren. Iets wat je met een stervende niet voorhebt. Zou daar het verschil in zitten?

Ik zou, tijdens een persoonlijk gesprek, iemands hand kunnen vasthouden zonder daarbij de drang te hebben tot verdere lichamelijke toenadering. In oprechte vriendschap, respect, gelijkwaardigheid en empathie.  Het zou waarlijk een meerwaarde zijn tijdens de intermenselijke connectie. Het geeft ook aanleiding to zogenoemd brain-coupling. Connectie maken tussen twee breinen. Hoe mooi kan het zijn! In het mooie overzichtsartikel Touch for socioemotional and physical well-being: a review schrijft Tiffany Field van het Touch Research Institute in Miami (in Developmental Review 2010; 30: 367-383): In fact, the absence of touch may prevent the development of a romantic relationship en Touch and love have been called indivisible. Wetenschappelijk onderzoek laat verder zien dat een aanraking een tien maal sterker effect heeft dan verbaal  en emotioneel contact. We zijn vergeten dat aanraking een basale en onmisbare eigenschap van de mens is. Geen ander zintuig kan ons zo positief beïnvloeden als de empathische aanraking. Waarom doen we dit dan zo weinig? Ondanks de overweldigende wetenschappelijke bewijzen dat aanraking heilzaam is en reductie geeft van pijn, angst, depressie en andere narigheid wordt aanraking als normale en wenselijke sociale communicatie ontmoedigd en als zeer ongepast en verdacht gezien in vele westerse landen. Het vasthouden van elkaars hand geeft brain coupling en daardoor een aanzienlijke reductie in pijnbeleving schrijven Pavel Goldstein en collegae in hun artikel Brain-to-brain coupling during handholding is associated with pain reduction (PNAS2018; 115: E2528-E2537).

Een gemeende aanraking of het empathisch vasthouden van elkaars hand is dus een gratis en prachtige gift aan diegene die wij liefhebben. Bizar dat we dat zo weinig doen.

IMG_1696
Photo: Ebony Finck, Australia

Bejaarden in verpleeg- en verzorgingshuizen hebben momenteel huidhonger. Zij willen aangeraakt worden. Door hen die zij liefhebben. Hun warmte en huid voelen. En dan werkelijk huid op huid contact, niet met een rubber handschoen daartussen. Het moet toch mogelijk zijn om dat werkelijke huid-op-huid contact te bewerkstelligen? Bijvoorbeeld door grondige desinfectie van beide handen.

Schermafbeelding 2020-05-24 om 15.27.53

De foto hierboven waarbij een 100-jarige man de hand van zijn 96-jarige vrouw niet wil loslaten ontroert mij enorm, wat een schoonheid. Maar het maakt mij ook diep somber als ik mij realiseer dat mannen en vrouwen die hun leven lang samen zijn geweest in het finale moment van hun relatie momenteel in quarantaine elkaars hand niet meer mogen en kunnen vasthouden. Ook niet aan het einde van hun leven.

Ik pas mij momenteel aan aan de huidige noodzaak van geen handen geven.  Maar tegelijkertijd verwijt ik het mijzelf niet als ik mijzelf soms vergis. Omdat ik het niet geven van een hand echt als abnormaal wil blijven zien. Ik pas mij nu volgzaam aan, maar tijdelijk. Wel neem ik na het bij vergissing geven van een hand de aanvaarde maatregelen en reinig mijn handen grondig.

Ik maak mij grote zorgen over het langdurig ‘normaal’ gaan vinden van een van de meest respectvolle en gelijkwaardige handelingen die mensen door de eeuwen heen gewoon en wenselijk hebben gevonden, en dat nu niet meer zullen doen. Mensen die nu stellen het wel prettig te vinden dat ze niet meer aangeraakt worden en geen handen meer moeten geven. En dit graag als normaal zouden zien. Zij die zeggen dat het ‘handen geven’ niet meer van deze tijd is. Wat een armoede zou dat zijn.

Het niet geven van een hand voelt voor mij als veel meer dan anderhalve meter afstand. Fysiek en emotioneel.

 

 

Jong, gezond en toch overleden aan COVID-19

 

Millennials-2

Worden alleen ouderen en mensen met comorbiditeit zodanig getroffen door het coronavirus dat zij COVID-19 ontwikkelen? Er wordt, ter verdediging van dat corona een onvoorspelbaar killervirus is dat ook gezonden vanuit een onbeschadigd bestaan kan treffen, gezegd dat door te stellen dat alleen ouderen en chronisch zieken komen te overlijden aan COVID-19  het probleem van het virus gebagatelliseerd wordt. Mij wordt ook verweten dat ik gesteld heb dat het vrijwel niet voorkomt dat jonge gezonde mensen op een intensive care aan COVID-19 komen te overlijden.

In onderstaande analyse ga ik, voor de argumentatie, ervan uit dat een jong iemand jonger is dan veertig jaar en aan de gevolgen van COVID-19 is overleden.

De sterfte aan COVID-19 is wereldwijd onder ouderen (ouder dan 70 jaar) het hoogst. Dat is geen punt van discussie en verklaarbaar omdat zij veel gevoeliger zijn voor het krijgen van een fatale infectie. Dat is het natuurlijk gevolg van het verouderen van het immuunsysteem. Daarom komen de meeste ziekten die met chronische inflammatie te maken hebben in de figuurlijke herfst en winter van het leven. Een acute infectie verloopt dan snel fataal. Dat zien we in de verpleeg- en verzorgingshuizen. Er zijn bij deze ouderen bij zo’n aanval nog maar heel weinig soldaten (afweer) over die het fort (het oude lichaam) kunnen verdedigen.

In Italië werd dat al snel duidelijk. Hieronder een tabel van de verdeling van leeftijd bij overlijden van 2870 COVID-19 patiënten in Italië. Het overgrote deel is ouder dan zeventig jaar. Van de overleden patiënten waren er negen (dat is 0,31%) tussen 30 en 39 jaar. Er waren onder de overleden patiënten er geen die jonger waren dan dertig.Schermafbeelding 2020-05-18 om 07.44.36

In Italie had slechts 1,2% van 481 daarop onderzochte patienten geen comorbiditeit, 23,5% een onderliggende ziekte, 26,6% twee en 48,6% drie of meer.

In Nederland zijn tot 17 mei 2020 5680 patiënten overleden aan bewezen COVID-19, 5037 (89%) overleden patiënten waren ouder dan zeventig jaar en 14 (0,24%) patiënten waren jonger dan veertig jaar.

Schermafbeelding 2020-05-18 om 11.09.57
Bron: RIVM

Van de in Nederland overleden COVID-19 patiënten die jonger waren dan zeventig jaar had 70% een onderliggende ziekte(n), 10% geen onderliggende ziekte(n) en van 20% was dat bij opname in het ziekenhuis niet bekend. 43,5% had ziekten van hart en bloedvaten, 26% diabetes, 25% chronische longziekten, 15% kanker en 15% chronische neurologische ziekten.

Van de eerste honderd COVID-19 patienten in het Elisabeth Tweesteden ziekenhuis in Tilburg had ongeveer 80% onderliggende ziekten waarvan de meesten hypertensie en suikerziekte.

Ook bij andere acute infectieziekten zoals influenza zien we dat de meeste patienten comorbiditeit hebben voorafgaande aan opname. Bij de H3N2 was dat ruim 80% . Dit is logisch en verklaarbaar. Veel van de onderliggende ziekten zijn systemische inflammatieziekten waardoor de gevoeligheid voor infecties vele malen groter is. Het is al heel lang bekend dat het hebben van suikerziekte de patiënten veel vatbaarder voor infectieziekten maakt.

Belangrijk om te bedenken is dat niet alle ziekten worden gerekend onder comorbiditeit, het zijn vooral de voor de hand liggende onderliggende chronische ziekten zoals diabetes mellitus, hypertensie, hart-en vaatziekten, COPD en kanker. Ziekten zoals chronische reumatoïde artritis, psoriasis en andere minder voorkomende chronische inflammatoire ziekten, maar ook verminderde weerstand door chronisch medicijngebruik zijn niet meegenomen in de berekeningen, maar kunnen gezien hun invloed op immuniteit wel degelijk van belang zijn geweest bij het krijgen van (fatale) COVID-19.

Ja het is waar, en ook heel triest, dat in Nederland ook enkele jonge mensen zijn komen te overlijden aan COVID-19. Ook gezonde jonge mensen. Van de 5680 overleden patiënten in Nederland (stand tot 17 mei 2020) waren er veertien overledenen jonger dan veertig jaar. Dat is 0,24% van alle aan COVID-19 in Nederland overleden patienten.

Ook jonge mensen komen helaas voortijdig te overlijden. Aan ongevallen of kanker. In 2018 overleden  in Nederland 153.363 mensen, waarvan 1464 in een leeftijd tussen 25-40 jaar. Dat is 0,9% van de totale sterfte. En de 14 jonge COVID-19 doden? Dat is dan 0,9% van de overlijdens in deze leeftijdcategorie.

En, laten we voor de argumentatie, stellen dat het bij deze 14 jonge overledenen blijft en er er geen jonge COVID-19 overledenen meer bijkomen. Per jaar gaan er zo’n 150.000 mensen dood in Nederland. Dan vormen deze 14 overledenen 0,009% van alle overledenen. In het individuele geval is het uiterst tragisch en vreselijk voor de nabestaanden, maar, vergeef mij alsjeblieft het kille gebruik van de getallen, statistisch verwaarloosbaar klein over het grote geheel.

Hoe toch enkele jonge gezonden mensen zo ziek kunnen worden en komen te overlijden aan COVID-19 terwijl bijna alle leeftijdgenoten niet ziek worden is vooralsnog onduidelijk. Mogelijk dat zij toch een onbekende genetische afwijkinghebben die hen zo gevoelig maakt voor het krijgen van een fatale infectie.

Schermafbeelding 2020-05-18 om 11.56.18

Schermafbeelding 2020-05-18 om 11.56.00

 

Het is dus waar dat enkele jonge gezonde mensen komen te overlijden aan COVID-19, maar gelukkig zijn dat er heel weinig.

 

Doodsoorzaak ‘Hartfalen’

DlJzeZyVAAANV3b

Eerder schreef ik in mijn blog ‘Oversterfte door verkommering en eenzaamheid’ over de moeder van Jeannine. De Volkskrant pakte het verhaal op en journalist Maud Efting publiceerde over dit schrijnende voorbeeld van de gevolgen van sociale en fysieke isolatie ter voorkoming van de verspreiding van het coronavirus een groot artikel. Gisteren ontving ik van Jeannine een bericht over het vervolg:

‘Ik heb al eerder gereageerd op uw artikel met mijn verhaal over mijn moeder van 94, een kleine drie weken geleden. Hoe ik zo schrok toen ik bij een eerste maal beeld bellen haar aftakeling zag in 6 weken tijd. Hoe bij mij alle allarm bellen afgingen. Hoe ik alles uit de kast hebt gehaald om toegang te krijgen tot haar. Zij had geen corona!!! Door afgesloten te raken van het dagelijkse bezoek dat zij kreeg. We hebben uiteindelijk toegang gekregen, het was echter te laat. We hebben haar afgelopen maandag begraven. Ik heb persoonlijk de schouwarts gesproken en wilde weten wat als reden van overlijden genoteerd zou worden. Het antwoord was: ‘ ik mag eenzaamheid niet noteren, in dit soort gevallen noteren we hartfalen’ . Vanaf het moment dat wij permanent toegang kregen heeft ze nog 3 dagen geleefd, er was geen weg meer terug.’

De opmerking van de huisarts ‘Ik mag eenzaamheid niet noteren, in dit soort gevallen noteren we hartfalen’ bleef lang bij mij hangen. Als oude mensen in verpleeg- en verzorgingshuizen komen te overlijden wordt inderdaad pragmatisch ‘hartfalen’ als doodsoorzaak genoteerd. En op zich is dit niet verkeerd, het is inderdaad in de meeste gevallen het hart dat uiteindelijk stopt met kloppen. En als er geen andere evidente doodsoorzaak, zoals kanker of een pneumonie, aan te wijzen is wordt hartfalen dan op de overlijdensverklaring genoteerd. In geval van de moeder van Jeannine is hartfalen weliswaar de uiteindelijke reden tot het overlijden, maar de aanleiding tot het falen is toch echt eenzaamheid en verkommering door gedwongen sociale isolatie. In mijn blog ‘Voortijdig overlijden en psychisch leed door quarantaine en sociale isolatie’ heb ik beschreven dat geïsoleerde mensen een twee maal grotere kans hebben op overlijden door hartfalen juist als direct gevolg van de sociale isolatie in vergelijking met hen die wel sociale en fysieke contacten kunnen onderhouden.

Het hart dat faalt omdat het niet meer door liefde verwarmd wordt is een ander hart dat faalt omdat het mechanische kracht niet meer heeft om te pompen. De term is hetzelfde maar de aanleiding is werkelijk zo verschillend.

Doordat artsen als doodsoorzaak simpel de vergaarbak ‘hartfalen’ noteren bij de een overlijden van een door gedwongen isolatie verkommerde oudere zullen wij nooit de werkelijke impact van deze secundaire coronadoden weten. En dat terwijl ik weet dat er ook artsen zijn die bij elke pneumonie aan het einde van het leven de laatste weken als doodsoorzaak COVID-19 noteren zonder dat dit ooit getest of bewezen is. Hierdoor wordt de statistiek volkomen onbetrouwbaar en zullen de uiteindelijke getallen ons bar weinig leren over wat er werkelijk in de verpleeg- en verzorgingshuizen heeft plaatsgevonden.

Voortijdig overlijden en psychisch leed door quarantaine en sociale isolatie

Social-Isolation-Depositphotos_178958244_s-2019

‘A sad soul can kill you quicker than a germ’

John Steinbeck in Travels with Charley: In search of America, 1962

 

Het isoleren van individuen uit de samenleving wordt gedaan om verschillende redenen. Bijvoorbeeld misdadigers worden in gevangenissen voor bepaalde tijd geisoleerd van de rest van de samenleving. Hun misdaad tegen de samenleving was te groot om hen onder ons te houden. Ook patiënten met ernstige psychiatrische stoornissen die een gevaar opleveren voor anderen en voor zichzelf kunnen worden geïsoleerd in een isoleercel in een ziekenhuis of inrichting. Patiënten met een besmettelijke infectieziekte worden geïsoleerd van mensen die de infectieziekte niet hebben. In het laatste geval wordt getracht dat gezonde mensen ziek worden te voorkomen. Dit laatste is gedaan met patienten met zekere COVID-19 of met een sterke verdenking daarop.

Quarantaine is een vorm van separatie en een opgelegde restrictie aan vrijheid van mensen die weliswaar niet ziek zijn maar waarvan men wil voorkomen dat zij ziek worden door een besmettelijke ziekte. Het wordt ook wel omgekeerde isolatie genoemd. Ook zieke mensen kunnen in omgekeerde isolatie worden verpleegd en behandeld. Bijvoorbeeld patienten met een sterk verminderde weerstand, bijvoorbeeld door leukemie, worden omgekeerd geïsoleerd. Men wil voorkomen dat ziekmakende micro-organismen hen bereiken en ziek(er) maken. Ook worden mensen die door leeftijd en/of chronische lichamelijke gesteldheid vatbaarder zijn voor besmetting en bij infectie zieker worden dan gezonden en het risico lopen aan de infectie te sterven in quarantaine geplaatst. Dit laatste is in Nederland de laatste twee maanden gedaan bij ouderen in verpleeg- en verzorgingshuizen. Oude mensen bleken door de toestand van hun afweer veel vatbaarder voor het coronavirus en als zij COVID-19 kregen was de sterfte onder hen groot. Waar jonge mensen na infectie een paar dagen hoesten en wat koortsig waren, stierven oude mensen snel en geraakten mensen met onderliggende ziekten op de intensive care aan de beademing.

Sociale isolatie en quarantaine worden algemeen gezien als een groot goed, want immers de twee grote vijanden, ziekte en dood, worden hiermee de pas afgesneden. Omdat alle ouderen in de tehuizen, zonder uitzondering, worden geïsoleerd, lijkt het alsof ervan uitgegaan kan worden dat oude mensen kwantiteit in jaren belangrijker vinden dan kwaliteit van sociale interactie. Het lijkt alsof de dood een altijd te bestrijden vijand is. Dat dit niet zo vanzelfsprekend is bleek de laatste weken door hartverscheurende verhalen van verkommerende bejaarden die hun (klein)kinderen en andere dierbare in het geheel niet meer mochten zien. Fysiek contact was helemaal uit den boze. Er heerste een hongersnood in de huizen, geen nood aan voedsel, maar aan fysiek huidcontact en aandacht. De arme ouderen moesten maar volhouden was het, voor mij, onbegrijpelijke credo. Isolatie zonder consent. Quarantaine zonder zelfbeschikking of een eigen keuze. Oude mensen die ons land na de tweede wereldoorlog wel hebben opgebouwd worden onmondig sociaal geïsoleerd van alles wat hen in het leven nog rest.

Het is al lang bekend dat quarantaine en afgedwongen isolatie  altijd een negatieve ervaring is voor diegenen die het moeten ondergaan. Het verlies van vrijheid, autonomie, de gedwongen separatie van geliefden, het ontberen van lichamelijke aanraking, verveling en onzekerheid over de duur van de isolatie kunnen werkelijk een dramatisch effect hebben op de psychische gesteldheid van mensen.

Zo blijkt de duur van de quarantaine van belang. Tijdens een SARS uitbraak bleek dat mensen die gedwongen langer dan tien dagen in quarantaine verbleven een significant hogere kans hadden op langdurige stress gerelateerde stoornissen dan zij die korter dan tien dagen in quarantaine verbleven (Hawryluck et al. SARS control and psychological effects of quarantaine. Gepubliceerd in: Emerging Infectious Diseases 2004; 10: 1206-1212). Oude mensen zitten in veel gevallen al bijna twee maanden in quarantaine in Nederlandse verpleeg- en verzorgingshuizen.

Oude mensen met cognitieve beperkingen, zoals dementie, worden nu geïsoleerd van hun naasten. Velen zijn daarvan ernstig in de war. Zij snappen niet dat hun geliefden hen niet meer bezoeken. Familieleden zijn hier radeloos onder. Onderzoek heeft juist laten zien dat sociaal geïsoleerde mensen met cognitieve en psychiatrische ziekten tijdens een MERS uitbraak 4-6 maanden na het opheffen van de quarantaine nog steeds angstig en ontstemd zijn (Jeong et al. Mental health status of people isolated due to Middle East respiratory syndrome. Gepubliceerd in Epidemiology and Health  2016; 38: e2016048).

In vele studies zijn de negatieve psychologische effecten van isolatie en quarantaine gevonden en beschreven (onlangs samengevat door Samantha Brooks et al. The psychological impact of quarantaine and how to reduce it: rapid review of the evidence. Lancet 2020; 395: 912-920). Zij beschrijven dat de hopeloosheid van de geïsoleerden tijdens de quarantaine vanzelfsprekend (‘unsurprising’) is, maar dat het werkelijk zeer zorgelijk is dat de negatieve psychologische effecten zich maanden tot jaren later nog kunnen uiten.

Als ik in hun review lees dat: ‘Longer quarantaine is associated with poorer psychological outcomes’ en dat de auteurs adviseren de isolatie zo kort als mogelijk te houden (maximaal 10 dagen), dan voel ik de rillingen over mijn rug wetende dat de meesten al bijna twee maanden zijn geïsoleerd van hun dierbaren. Vandaag werd duidelijk dat ‘als proef’ in een verzorgingshuis, naasten met mondkapjes op één uur per week op bezoek mogen komen. Eén uur per week!! Mijn god!

Niet alleen zijn negatieve psychologische effecten overduidelijk, ook lichamelijk heeft sociale isolatie een negatief effect. Matthew Pantell en collegae beschreven in hun artikel ‘Social isolation: a predictor of mortality comparable to traditional clinical risk factors’ (American Journal of Public Health 2013; 103: 2056-2062) dat mensen in sociale isolatie een veel hogere kans hebben op overlijden dan vergelijkbare mensen die niet geïsoleerd zijn. Eerder was dit al beschreven door Julianne Holt en collegae in PLosMedicine (2010; 7: e1000316) (Social relationships and mortality risk: a meta-analytic review). Zij reviewden 146 wetenschappelijke studies en vonden een 50% hogere kans op overlijden bij sociaal geïsoleerden. Zij onderzochten later ook het effect van eenzaamheid op sterfte (Loneliness and social isolation as risk factors for mortality: a meta-analytic review. Gepubliceerd in Perspectives on Psychological science 2015; 10: 227-237).

Als mannen regelmatig door dierbaren werden bezocht daalde het risico met bijna 30% op een hartinfarct  (Eng et al. Social ties and changes in social ties in relation to subsequent total and cause-specific mortality and coronary heart disease incidence in men. American journal of epidemiology 2002; 155; 700-709).

Door quarantaine en sociale isolatie wil men in de coronacrisis voorkomen dat mensen geïnfecteerd worden met het virus en ziek worden. Daarbij wordt over het algemeen uitgegaan dat de weerstand van de geïsoleerden gelijk blijft door de maatregel. Dit blijkt echter in het geheel niet te zien.  Sheldon Cohen en collegae onderzochten of sociale verbintenissen met familie, vrienden, werk en samenleving geassocieerd waren met een verhoogde kans om ziek te worden van besmetting met twee verschillende rhinovirussen, virussen die verkoudheid veroorzaken.  Zij testen dit bij 276 gezonde vrijwilligers. Zij vonden dat hoe meer sociale en emotionele verbintenissen de proefpersonen hadden, des te resistenter zij waren tegen het virus. Zij publiceerden hun bevindingen in het toonaangevende tijdschrift JAMA (Social Ties and Susceptibility to the Common Cold, JAMA 1997; 277: 1940-1944).

Ik heb géén wetenschappelijke studies kunnen vinden waarin gesteld is dat quarantaine en sociale isolatie géén of minimaal negatief effect hebben op de psychische en lichamelijke gezondheid. Allen (!) beschrijven ingrijpende negatieve effecten.

Men wil met de gedwongen quarantaine en sociale isolatie voorkomen dat ouderen en kwetsbaren ziek worden en komen te overlijden. Het lijkt, alle wetenschappelijke studies hierover lezend, er veel meer op dat de isolatie en quarantaine juist dodelijk voor hen zijn. Er is oversterfte in de verpleeg- en verzorgingshuizen die niet direct COVID-19 gerelateerd is.

Ik word hier triest van en twijfel of we hier later nog neutraal naar kunnen terugkijken.

Hoe uniek is de COVID-19 overlever?

Schermafbeelding 2020-05-08 om 18.04.50

Het aantal patiënten met COVID-19 in Nederland is gedaald tot onder de zeshonderd. Op de meeste intensive care afdelingen worden nu weer ‘normale’ intensive care patiënten opgenomen en behandeld. De niet-COVID-19 patiënten op de intensive care zijn veelal even ziek of zieker dan de COVID-19 patiënten. Daar zit eigenlijk geen verschil in. De normale intensive care patiënt is een patiënt met een ernstig orgaanfalen, zoals van lever, hart, nieren, hersenen of longen door bijvoorbeeld een ernstige infectie met bacteriën, of het zijn patiënten die een ernstig ongeval hebben doorgemaakt, een ernstige hersenbloeding of na een reanimatie voor een hartstilstand. Maar ook patiënten na een grote operatie, bijvoorbeeld voor kanker of een orgaantransplantatie, die enige dagen worden bewaakt en beademd op de intensive care.

De COVID-19 patiënten verschilden op sommige aspecten van patiënten die voor bijvoorbeeld influenza of een bacteriële sepsis ernstig ziek op de intensive care werden behandeld. COVID-19 patiënten kwamen op de intensive care met ernstige benauwdheid door zuurstoftekort en werden in slaap gebracht om langdurig te kunnen beademen. Zij ontwikkelden, net als anderen ernstig zieke patiënten, additioneel falen van andere organen zoals van de nieren en darmen. Bijzonder voor COVID-19 patiënten was de trombosevorming in de longslagaders. Sommige patiënten met COVID-19 overleden op de intensive care juist aan deze ernstige trombose of een zeer heftige inflammatierespons. Er was bij hen geen houden aan.

De meesten COVID-19 patiënten overleefden de ziekte  en het verblijf op de intensive care of zullen dit overleven, maar zeker niet zonder slag of stoot. Velen ontwikkelden ernstig spierverval (sarcopenie) en een verlies van zenuwfunctie (critical illness neuropathie) en delier (een verstoring van de normale hersenfunctie). Daarin verschilden de COVID-19 patiënten totaal niet van andere lang op de intensive care liggende patiënten. Ervaren intensivisten en intensive care verpleegkundigen kennen en herkennen dit. Het is doorgaans erg moeilijk om deze patiënten onafhankelijk te maken van de intensive care. Zij hebben immers geen spierkracht en zenuwfunctie meer om zelfstandig te ademen en hebben ernstige cognitieve verstoringen waardoor zij zelf moeilijk kunnen meewerken aan hun herstel. Ook hierin verschillen veel van de COVID-19 patiënten niet van normale langliggende intensive care patiënten. De hoop op herstel vervliegt dan en bij deze patiënten zal de behandeling, als zijnde disproportioneel, worden gestaakt teneinde hen te laten overlijden. Dit is iets wat intensivisten en intensive care verpleegkundigen al jaren doen en waarin zij goede zorg tot overlijden geven.

Wij weten ook dat de patiënten die de intensive care na langdurig verblijf voor een ernstige ziekte overleven een zeer moeizaam revalidatietraject tegemoetzien. Sommigen van hen zullen uiteindelijk na lange tijd herstellen, bij anderen lukt dat ten dele of helemaal niet. Sommigen zullen met ernstige beperkingen overleven. Iets dat wij al zolang intensive care afdelingen bestaan weten. Ook de psychische gevolgen van het overleven van een ernstige ziekte zijn bekend. Sommige patiënten ontwikkelen een posttraumatisch stresssyndroom, velen blijven intens angstig, hebben slaapstoornissen, realiseren zich dat zij sterfelijk zijn of overleven met cognitieve beperkingen. Vele intensive care afdelingen in Nederland hebben besloten een post-intensive care polikliniek te openen om de zorg voor de overlevers te structureren. Ook veel van de overlevende COVID-19 patiënten zullen in deze zorg terecht komen, voor velen een moeizaam traject van lichamelijk en geestelijk herstel. Maar zeker niet voor allen.

Er is in de media nooit veel aandacht geweest voor het lot van patiënten die de intensive care na een zeer ernstige ziekte overleven. Door de coronacrisis is er echter ineens aandacht voor intensive care in het algemeen. Nooit eerder heeft een intensivist, als Diederik Gommers, zo in de publieke belangstelling gestaan als tijdens de laatste weken. Ineens was intensive care een publiek issue, waar dat het nooit was geweest.

Vanmiddag hoorde ik in de auto op de radio over het revalideren van COVID-19 patiënten die ontslagen waren van de intensive care. Er werd verteld over hun angst, hun moeizame vooruitgang, de beperkingen. Dit alles werd beschreven als zijnde uniek voor COVID-19 overlevers, ik hoorde een verpleegkundige zeggen dat ze nog nooit zulke angst in de ogen van patiënten had gezien. Alles is uiteraard indrukwekkend, zeker voor mensen die nog nooit een ex-intensive care patiënt hadden gezien, maar ik hoorde alleen vertellen over een beeld dat intensivisten en intensive care verpleegkundigen al vele jaren kennen van patiënten die de intensive care hebben overleefd. Nog nooit was er zoveel media-aandacht geweest voor intensive care overlevers, en nu wordt alles gebracht als zijnde uniek. Dat is het echt niet. Ik werd er, vanmiddag in de auto, met alle respect voor de patiënten en hun leed, een beetje boos over, immers, alle overlevers van langdurig verblijf op de intensive care, maar ook van andere levensbedreigende aandoeningen zoals kanker of een hartinfarct, hebben de angst in hun ogen, allen hebben de dood in ogen gezien, allen realiseren hun sterfelijkheid, alle patiënten die lang op een intensive care hebben verbleven zijn in de war door wakker te worden met hun beperkingen. Een ernstige verstoring van de gang van het leven. Maar dat is écht niet uniek voor COVID-19 overlevers. Laten we dat alsjeblieft niet vergeten. Het lijkt alsof COVID-19 momenteel al het denken beheerst, dat alles uniek is voor deze ziekte, dat er geen andere ziekten en hun overlevers bestaan, maar dat is het écht niet. Hopelijk krijgen toekomstige intensive care overlevers ook de aandacht van media, politiek en samenleving  die de COVID-19 overlevers nu krijgen, maar ik ben, gezien het verleden, bang dat dat echt ijdele hoop is.

Heeft de coronacrisis iets goeds gebracht?

Schermafbeelding 2020-05-06 om 23.37.37

De afgelopen weken zijn wij in de opgelegde isolatie van elkaar geweest. Anderhalve meter afstand moesten wij tot elkaar nemen. Thuis werken. Dit om te voorkomen dat het coronavirus teveel mensen zouden besmetten en die op hun beurt weer anderen, waaronder kwetsbaren, zoals bejaarden en mensen met onderliggende chronische ziekten, zouden kunnen besmetten. Deze kwetsbaren zouden ernstig ziek kunnen worden en zouden aan de gevolgen daarvan kunnen komen te overlijden. Het voorkomen van ziekten en (voortijdig) overlijden is uiteraard een groot moreel goed en een belangrijk doel van de gezondheidszorg. De meeste mensen zullen echter, bij besmetting met het coronavirus, hier gelukkig niet ernstig ziek van worden. Door de stringente handhaving van de anderhalve meter regel, met, bij overtredingen, een boete van niet minder dan 390 Euro, is de incidentie van ziekenhuisopnames afgevlakt, waardoor de zorg niet is overbelast geraakt. So far so good.

Eerder heb ik aangegeven dat een anderhalve meter samenleving om meerdere redenen niet ‘normaal’ is en het feit dat onze minister-president heeft aangegeven dat ‘de anderhalve meter samenleving het nieuwe normaal is’ mensen hoop heeft ontnomen. Het moet een ‘tijdelijk abnormaal’ zijn en wat een goede vriendin van mij zei: ‘dat wat abnormaal is en nooit normaal mag worden’. Door te stellen dat het abnormaal is en tijdelijk geef je mensen hoop op terugkeer naar het normale. Iets waar iedereen naar snakt.

Ik ben geschrokken als ik op straat ontweken werd door mensen met angst in de ogen, al dan niet verborgen achter mondkapjes en met handschoenen aan. Alsof ik melaats ben. Ik ben klaarblijkelijk een potentieel gevaar, een dreiging. De angst regeert en dit vind ik dit zeer verontrustend. De al zo individuele samenleving is door corona nog individueler geworden.

Het virus heeft in de wereld enorm veel leed gebracht en niet alleen aan de direct getroffen zieken. De indirecte schade, economisch en persoonlijk, is enorm. Mensen zien hun bedrijven crashen, anderen zien hun werk in de gesloten bedrijven in problemen komen, om nog maar te zwijgen over het inmense en vreselijk inhumane leed door de opgelegde isolatie van bewoners van verpleeghuizen, hospices en verzorgingshuizen. Dat leed staat buiten kijf en is voor mij misschien wel de grootste ethische kwestie van de crisis waarvan ik oprecht verbijsterd door ben dat het heeft kunnen gebeuren. Met open ogen zag de samenleving geïsoleerde ouderen verkommeren en in eenzaamheid sterven. De noodkreten waren door merg en been gaand. Met verbijstering heb ik managers horen zeggen dat de isolatie weliswaar vreselijk is maar zeer noodzakelijk. Hoeveel gemis aan empathie kan je hebben? Niemand heeft ook de mening van de sociaal geïsoleerde ouderen zelf gevraagd. Er is overweldigende literatuur voor handen die laat zien dat sociale isolatie en eenzaamheid overduidelijk zijn geassocieerd met sterfte. Hetgeen wij krampachtig willen voorkomen (sterfte) wordt in werkelijkheid juist veroorzaakt door de ingestelde maatregelen. Dat heeft mij triest en kwaad gemaakt.

Er was ook leed door het opschuiven van de reguliere zorg. Patienten verkeerden in angst door uitstel van diagnostiek en behandeling. Maar ook de noodzakelijke zorg die door fysiotherapeuten werd gegeven en door de coronacrisis beeindigd moest worden. Ook hier ontstond terugval van ziekten en beperkingen.

Iemand vroeg onlangs aan mij of ik vond dat deze periode, naast al het leed, ook iets goeds heeft gebracht. Volmondig kan ik, hoe raar dat ook mag klinken, daarop ja zeggen. Er zijn ook mooie dingen uit voort gekomen. In deze periode is de natuur mondiaal op adem kunnen komen. Ik was verrast en verheugd door de veerkracht van de natuur die zich op vele aspecten razendsnel wist te herpakken. Vervuiling verdampte voor onze ogen. Dat stelde mij gerust. Ik heb genoten van de intense stilte in steden en op de wegen. Steden waren sinds vele jaren ineens zonder eindeloze horden toeristen met rolkoffertjes. Op zondagen ben ik in allervroegte met tachtig kilometer per uur over snelwegen gereden waarbij ik niemand tegenkwam. Ik stopte op parkeerplaatsen en voelde bewust de stilte en de tot rust gekomen natuur. Ik kon genieten van de schoonheid van de lucht, die eens niet vervuild was door de uitstoot van honderdduizenden vliegtuigen.

Schermafbeelding 2020-05-07 om 09.09.00

 

Er is door het RIVM geadviseerd om vrienden en familie in deze weken van isolatie niet op te zoeken of te ontmoeten. Blijf bij elkaar weg! Ik weet dat velen, ongehoorzaam, hun familie en vrienden, hetzij selectief, toch zijn blijven ontmoeten. Ook ik ben een paar zeer goede vrienden vanaf het begin blijven zien, andere vrienden wilden geïsoleerd blijven hetgeen uiteraard te respecteren is. Ik mis de connectie met sommigen van hen wel, maar met anderen helemaal niet. Afwezigheid selecteert klaarblijkelijk. Wij, de enkelen die elkaar toch bleven ontmoeten, wisten van elkaar dat wij niet ziek waren en dat wij niet tot risicogroepen behoorden. Wij realiseerden ons terdege dat geadviseerd werd om elkaar niet te ontmoeten, maar nooit hebben wij het gevoel gehad een gevaar te vormen voor wie dan ook. Angst voor besmetting en verspreiding is nooit een issue voor ons geweest en wij waren daar zeker niet naief in. Voor ons was dat de invulling van de intelligente lock-down. We zijn niet onverstandig geweest. Wij hadden de afspraak als wij verschijnselen zouden krijgen wij onszelf direct zouden isoleren, maar dat is nooit gebeurt. Onze relaties zijn, juist doordat wij bijvoorbeeld niet uit eten konden gaan en wij onze aandacht niet hoefden te delen met anderen, verdiept. Wij stilden elkaars huid- en aandachthonger, wij hebben intense gesprekken gevoerd die wij anders nooit zouden hebben gehad en samen genoten wij van de rust die de verlaten samenleving uitstraalde. In deze rust bracht het ons bezinning over wat er werkelijk in het leven toe doet. Bezinning over prioritering van wat ons nu werkelijk geluk geeft. Dat dat met name in de kwaliteit en niet de kwantiteit van onze verbintenissen te vinden is. Wij sloten ons, als wij elkaar ontmoeten, bewust af van de corona samenleving en spraken over hoopgevende en geluk generende aspecten van het leven. Zonder de coronacrisis hadden we daar de tijd en ruimte niet zo voor genomen.

En in de academie? Doordat congressen en symposia afgelast waren realiseerden wij ons ineens dat we ook heel goed zonder konden. Maar ook realiseerden wij dat het bezoeken van deze gelegenheden vooral sociale events waren die in een anderhalve-meter samenleving heel moeilijk zullen gaan worden. Ik heb vele academici gesproken die zich ineens afvroegen wat er nu werkelijk toe doet.  Zij dachten na over de perverse prikkel van publish or perish. De rat race. Het academisch priapisme. Ook was er bij velen bezinning over de inhoud en organisatie van de gezondheidszorg. Waarom ontstond er een zo dramatische daling in het aantal stress-gerelateerde ziekten zoals hartinfarcten en beroertes? Wat is het effect van een daling in het aantal ongevallen? Waarom was een groot deel van de door COVID-19 getroffen patienten al lange tijd chronisch ziek waaronder veel leefstijl gerelateerde ziekten? Wat zegt dat eigenlijk allemaal over onze samenleving voordat corona kwam? Hoe kan het zijn dat tijdens de crisis de reguliere zorg zo enorm gereduceerd kon worden? Was er voor corona eigenlijk sprake van overdiagnostiek? Waren al die ingeplande polikliniekbezoeken eigenlijk wel nodig? Zouden we ook zonder kunnen en dan nog steeds goede zorg leveren? Hoe duidelijk werd het effect dat bezuinigingen in de zorg van de laatste jaren tijdens een epidemie ineens tot grote problemen leiden. Tijdens corona werd er geklapt voor de helden in de zorg, maar daarvoor was een salarisverhoging van verpleegkundigen en verzorgenden onbespreekbaar. Zonder de coronacrisis hadden we daar nooit bij stilgestaan. Hoe kan het zijn dat één infectieziekte, die een vrij selecte groep mensen ziek maakt, mondiaal de samenleving zodanig kan vangen dat velen in angst leefden terwijl de meesten helemaal geen angst zouden hoeven te hebben.

Ik heb de bezinning, de pas op de plaats, over alles wat wij voorheen vanzelfsprekend vonden wat nu helemaal niet zo vanzelfsprekend is, zinvol ervaren.

In dit alles zit mijn inziens toch de schoonheid van de coronacrisis. Het is als je ervoor open stond en staat een gelukbrengend bijeffect van het gedwongen geïsoleerde leven in een samenleving waarin het ongeluk en leed voor anderen grotesk was en is. De humanitaire ramp is echter nog niet ten einde en dat gaat echt niet alleen over de COVID-19 patienten.

Om antwoord te geven op de vraag of de coronacrisis ook nog iets goeds heeft gebracht, is te stellen dat er ook schoonheid is in tijden van corona. Ik hoop dat we een deel van deze bezinning en schoonheid weten te behouden in de periode na de gedwongen isolatie.