COVID-19: De 118 doden en 288 ziekenhuisopnames van de laatste week

De coronacrisis wordt vooral cijfermatig bepaald en wekelijks door het RIVM aan de samenleving gemeld als legitimatie van de vergaande maatschappelijke maatregelen en beperkingen. Het stijgende aantal besmettingen (mensen die positief getest zijn met de PCR test) heeft de overheid doen besluiten tot een ingrijpende toename en aanscherping van maatregelen. Maar positief getesten zijn geen ziekenhuisopnames en geen overledenen, de meeste besmette mensen zullen nooit met COVID-19 in een ziekenhuis belanden of hieraan overlijden. Besmette mensen kunnen wel tot ziekenhuisopnames en sterfte (bij zichzelf en anderen) leiden; vandaar de drastische maatregelen. Cumulatieve toename van het aantal patiënten met COVID-19 in de ziekenhuizen kan wel leiden tot overbelasting van de zorg en afschaling van de non-covid zorg. Juist dat laatste is dramatisch en zeer zorgelijk. Gisteren lagen er in het Erasmus MC Rotterdam 21 patiënten met COVID-19 op de intensive care en werd er weer gesproken over mogelijke afschaling van de reguliere zorg.

In deze en mijn voorgaande blogs meld ik het aantal overledenen aan/met COVID-19 en de leeftijdsverdeling daarvan van de laatste week, zoals dit in de weekrapportage van het RIVM te vinden is.

Tussen 13 en 20 oktober waren er in heel Nederland 288 nieuwe opnames in ziekenhuizen en overleden er 118 Nederlanders met/aan COVID-19.

De overledenen

Ook deze week waren het weer vooral de (zeer) ouderen die zijn komen te overlijden met/aan COVID-19. Jonger dan 40 jaar is afgelopen week niemand aan deze ziekte overleden. Tussen 40 en 70 jaar 12 patiënten (10% van het geheel).

Ouder dan 70 jaar zijn 104 patiënten overleden met/aan COVID-19 (88% van het geheel). Ouder dan 80 jaar zijn dit 83 patiënten (70% van het geheel) en onder 90+ers zijn dit er 20 (16% van het geheel); aldus de gegevens van het RIVM.

118 overledenen in deze week betekent dat 0,0006% van de Nederlandse bevolking in deze week is komen te overlijden aan COVID-19 (Bevolking 17.457.720) waarvan 88% ouder was dan 70 jaar.

De ziekenhuisopnamens

Van de 288 nieuwe ziekenhuisopnames waren 15 patienten (5%) jonger dan 40 jaar. In de leeftijdscategorie 40 en 70 jaar waren er 114 patiënten (40%) en ouder dan 70 jaar 159 patiënten (55%).

Conclusies

Ook deze week waren het weer hoofdzakelijk de (zeer) oude patiënten die zijn overleden aan/met COVID-19 en meer dan de helft van de nieuw opgenomen patiënten was ouder dan 70 jaar. Jonge patiënten (< 40 jaar) vertegenwoordigen slechts 5 % van de nieuwe ziekenhuisopnames en er overleed deze week niemand jonger dan 40 jaar.

Dit laatste, er sterven weinig jonge mensen aan COVID-19, komt overeen met de conclusie van de review van 61 studies door John Loannidis in het Bulletin van de World Health Organization waarin wordt gesteld dat de infection fatality rate (het aantal mensen dat is overleden in verhouding met het aantal door een infectie besmette individuen [niet en wel ziek]) voor mensen <70 jaar varieert tussen 0,00% en 0,31% met een median van 0,05% is. De kans om op jonge leeftijd te komen overlijden aan COVID-19 is dus zeer klein.

Hieronder de tabel uit de weekrapportage van het RIVM, op 20 oktober gepubliceerd.

Zonder COVID-19 had mijn moeder véél ouder kunnen worden!

Naar aanleiding van mijn vorige twee blogs ontving ik een email van een verontwaardigde dochter van een 84-jarige moeder. Haar moeder was binnen drie dagen ziekbed overleden aan COVID-19. De dochter stelde mij dat als wij in Nederland het SARS-CoV-2 beter in toom hadden gehouden dat haar moeder véle jaren ouder had kunnen worden.

Zij weet dat niet en ik ook niet. Beiden hebben wij geen kristallen bol. Een feit is dat haar 84-jarige moeder binnen drie dagen zodanig ziek is geworden van infectie met SARS-CoV-2 dat zij aan de gevolgen daarvan is overleden. Dat zegt écht iets over haar natuurlijke afweer tegen bacteriën en virussen. Naarmate de mens ouder wordt, des te slechter is het immuunsysteem in staat zich te weren tegen ziekmakers zoals luchtwegvirussen. De dodelijke longontsteking waar vele ouderen aan bezwijken wordt sinds lang de vriend van de ouderen genoemd. Ook reageren ouderen slechter op vaccinatie. Beiden feiten die al vele jaren algemene kennis is. 

Het is dus niet verbazend dat met name ouderen (70+) en zeer ouderen (90+) de grootste kans hebben om te komen overlijden aan COVID-19. In week 40 van dit jaar vertegenwoordigden zij 80% van alle overledenen. Ik schreef daarover in mijn vorige blog. Hun immuunsysteem is niet in staat gebleken het virus te weren en bestrijden. Maar de ene oudere is de andere niet. Er zijn ook ouderen en zeer-ouderen die niet fataal getroffen worden. Het is wel zo dat het steeds weer de ouderen en zeer-ouderen zijn die komen te overlijden aan COVID-19.

De levensverwachting kan ook worden voorspeld door het meten van de lengte van de telomeren (uiteinden van de chromosomen). Hoe korter de telomeren, hoe groter de kans op nare en fatale ziekten (zoals kanker). De snelheid van het verkorten van de telomeren verschilt per individu.

Het toenemend falen van het immuunsysteem en het verkorten van de telomeren zijn natuurlijke processen. Een gezonde leefstijl kan invloed hebben op de kracht van het immuunsysteem en de snelheid waarmee de telomeren verkorten. Vandaar dat ouderen met onderliggende ziekten veel vatbaarder zijn voor alle mogelijke ziekmakende en dodelijke narigheid. Maar uiteindelijk gaan we allemaal. Slechts weinigen zullen 90-100 jaar oud worden.

Ouderen en zeer-ouderen gaan sinds heugenis dood aan infectieziekten (virussen zoals influenza en SARS-CoV-2 en bacteriën die een longontsteking of sepsis kunnen veroorzaken), aan hartfalen, hart-en vaatziekten waaronder beroerten (door chronische ontsteking van het endotheel (binnenbekleding) van slagaders, complicaties na een valincident (een gebroken heup blijkt vaak een doodsvonnis te zijn), allerlei soorten van oude-dag-kankers (door verkorting van telomeren en falend immuunsysteem). Al deze ziekten worden algemeen gezien als natuurlijk einde van een leven. In veel gevallen van hoge leeftijd wordt daarom besloten tot niet-behandelen van de ziekte die de dood vooraf gaat. Wat zou het immers nog toevoegen? Raar dat we in geval van COVID-19 ineens verontwaardigd zijn en deze fatale einde-leven ziekte als onnatuurlijk zijn gaan zien.

Zou de 84-jarige moeder nog veel ouder zijn geworden als zij niet besmet was geraakt met SARS-CoV-2? Ik denk het niet. Zij was kwetsbaar geworden voor een finale ziekte. Haar immuunsysteem faalde, haar telomeren waren te kort geworden. Zij zou of ‘door de hond of de kat zijn gebeten‘. Was het niet SARS-CoV-2, dan wel influenza, dan wel een pneumococ, dan wel een beroerte, hartfalen, een fatale val, een dodelijke kanker of gewoon ’s-morgens dood in bed gevonden worden. Het leven van mens en dier is eindig, en iets geeft het laatste zetje over de rand heen.

Gaan de laatste weken er nu veel meer 80+ers dood dan in andere jaren?

Ik zocht het eens op bij het Centraal Bureau voor de Statistiek.

In week 31 (zo eind juli) tot week 40 (oktober) van 2017 overleden in Nederland 10.303 80+ers, in 2018 waren dat er 10.521, in 2019 11.840 en dit jaar 11.067 Nederlanders ouder dan 80 jaar. In 2019 in weken 31-40 ongeveer 800 hoogbejaarden meer dan in dezelfde weken dit jaar terwijl er in die weken in 2019 helemaal geen COVID-19 bestond. 

Week 40 ging vooraf aan de verscherpte coronamaatregelen in Nederland. Ik heb naar deze week apart gekeken. (Let wel, in deze blog kijk ik alleen naar de overledenen die sterk oververtegenwoordigd zijn in de sterfte aan COVID-19: de 80+ers, en niet naar de toename van besmettingen de hele bevolking !)

In 2015 overleden 1439 80+ers in week veertig, in 2016 waren dat er 1435, in 2017 waren dit er 1427, in 2018 waren dit er 1492, in 2019 1493 en dit jaar 1649. Ja,ja, dit jaar 156 meer 80+ers (!) dan vorig jaar in dezelfde week hoor ik de criticasters zeggen. Maar realiseer je daarbij dat tussen 2015 en 2019 elk jaar de populatie 80+ers in Nederland steeds met circa 15.000 per jaar is toegenomen (734.976 in 2015; +13.772 = 748.748 in 2016; + 15.527 = 764.275 in 2017; + 14.639 = 778.914 in 2018 en +19.906 = 798.820 in 2019). 

Doodgaan aan COVID-19 is écht een ouderdomskwestie, maar deze treft de 80+ers klaarblijkelijk, volgens de getallen uit het CBS, niet buitenproportioneel. Oude mensen gaan nu eenmaal dood, dat is natuurlijk, onvermijdelijk en normaal en COVID-19 is, naast alle anderen, een van de doodsoorzaken. Waren ze niet aan COVID-19 bezweken, dan toch echt wel aan een andere einde-leven-aandoening. Zo laten ons de cijfers zien.

Nog meer bloemen in de knop geknakt

Het aantal opnames in Nederlandse ziekenhuizen van patiënten met COVID-19 en het aantal sterfgevallen aan deze ziekte zou de laatste week ‘schrikbarend zijn toegenomen’ zo hoorde ik in de mainstream media. Overleden er in de week daarvoor nog 61 patiënten aan/met COVID-19 en waren er 170 patiënten opgenomen (zie mijn vorige blog), vorige week telden we 91 overledenen en 201 nieuwe ziekenhuis opnames. Dertig doden en 31 opnames meer in de ziekenhuizen dan de week hiervoor. Zo valt te lezen in de weekrapportage (7-13 oktober) van het RIVM. Het is goed om in perspectief te realiseren dat er per week ongeveer 2800 Nederlanders aan andere aandoeningen overlijden. Per week overlijden ongeveer 385 Nederlanders aan de gevolgen van het roken van sigaretten. In totaal werden op 13 oktober 2020 1144 patiënten met COVID-19 in een ziekenhuis op een verpleegafdeling verpleegd en 192 patiënten op de intensive care behandeld (meldingen GGDen). Daarnaast zijn er vele Nederlanders die, net als met influenza, met COVID-19 thuis uitzieken. Maar volgens de kristallen-bol-kijkende experts moet het ergste nog komen.

Laten we even stilstaan bij de 91 overledenen. Er was er één in de leeftijd van 35-39 jaar, één in de leeftijd van 55-59, 4 tussen 60-64 jaar, 6 tussen 70-74 jaar en daarna gaat het ‘hard’ oplopen. Tussen 75 en 95+ overleden 73 patiënten (80% van de 91), waarvan er 19 patiënten ouder dan 90 jaar (21% van 91) waren. Net zoals in vrijwel alle maanden dat de coronacrisis in ons land heerst waren het ook vorige week weer vooral de oude en zeer-oude patiënten die aan het SARS-CoV-2 virus bezwijken. Ook nu weer. 

Ik blijf het herhalen: dat oude (75+) en zeer oude (90+) mensen overlijden is toch echt een normale natuurlijke gebeurtenis, ongeacht de reden van overlijden. Al zo lang wij ons kunnen heugen is dat het geval. En voordat het SARS-CoV-2 virus de zeis onder de ouderen zwaaide maakten slechts zeer weinigen zich er druk over dat deze ouderen overleden aan de gevolgen van een longontsteking (‘Friend of the aged), influenza, een beroerte, hartfalen, longfalen, een val, een sepsis, kanker of iets anders naars. Of gewoon aan ouderdom ( op een gegeven moment is toch écht de rek uit de telomeren). Voordat het SARS-CoV-2 in onze wereld kwam vond iedereen dat overlijden aan deze ziekten ‘er gewoon bij hoorde’ (boven de overlijdensberichten stond dan ‘Na een lang en rijk leven is van ons heengegaan‘), maar nu is het sterven aan of met COVID-19 blijkbaar een schande. ‘Het had vermeden moeten worden!’ Wanneer ik zeg dat oude mensen nu eenmaal doodgaan wordt het mij verweten ‘niet om ouderen te geven‘. Of ‘dat doodgaan aan COVID-19 écht vermeden had moeten worden‘. Welnu, ik geef zéker om ouderen en ik gun hen het leven, maar eens ga je toch écht dood. Onvermijdelijk. Als we niet kunnen accepteren dat COVID-19 een van de ziekten is waar je op oude leeftijd aan kunt bezwijken en daar verontwaardigd over blijven ontbreekt ons alle werkelijkheidszin. En de media: wanneer die blijft roeptoeteren dat er een ‘schrikbarende toename‘ is van het overlijden aan COVID-19 (zonder daarbij te vermelden dat het om oude en zeer oude mensen gaat) wordt het toch wel erg verbijsterend, verontrustend en verwonderlijk. Zijn we nu werkelijk zover van de natuur af komen te staan dat op hoge leeftijd doodgaan aan een natuurlijk virus een vermijdbare schande is? Als ik daar lang over nadenk word ik toch echt toenemend somber. 

Bloemen in de knop geknakt

Er is een stijging in het aantal COVID-19-doden,’ hoorde ik een een jonge arts in het ziekenhuis zeggen. Ook las ik het in een van de dagbladen. Ik laat mij graag door feiten ondersteunen. Op onze intensive care waren deze doden niet te betreuren. Ik zocht de laatste rapportage ‘Epidemiologische situatie COVIOD-19 in Nederland’ van het RIVM (6 oktober 2020, 10.00) er eens bij.

Er bleken in de voorafgaande week 61 mensen te zijn overleden aan/met COVID-19 en 170 patiënten in ziekenhuizen te zijn opgenomen. Van de overledenen was er niemand jonger dan 50 jaar, 47 van de 61 patiënten (dat is 77%) waren ouder dan 80 jaar, 22 patiënten (dat is 32%) was zelfs ouder dan 90 jaar. Er was 1 patiënt tussen de 50 en 55 jaar, 3 patiënten tussen 65-69 jaar en 8 tussen 70-79 jaar, waarvan 7 ouder dan 75 jaar.

Toen ik tegen de jonge dokter zei dat het bijna alleen maar hoogbejaarden waren die aan/met COVID-19 bezwijken verweet zij mij dat ik het dus acceptabel vind dat oude mensen aan COVID-19 dood gaan. Ik stelde haar de tegenvraag wat er aan de preventie van ziekten gedaan wordt waar andere bejaarden aan doodgaan en of zij dat ook noemenswaardig acht. Het bleef toen stil.

Ik gun iedereen een lang leven, maar het is meer dan realistisch om te stellen dat boven een bepaalde leeftijd de dood niet meer te vermijden is, aan wat voor ziekte dan ook.

Ik stuurde een appje met deze gegevens naar mijn goede vriend AFdJ. Hij antwoordde: ‘Ach, weer wat bloemen in de knop geknakt‘.

Geen besmetting aan te tonen, maar toch ‘chronische COVID-19’?

Ik hoorde een van onze intensivisten tegen een intensive care verpleegkundige zeggen, nadat zij samen post-covid spreekuur hadden gedaan, dat hij verbaasd was dat veel patiënten het ‘zo goed deden’. Patiënten die wij in maart-april doodziek op de intensive care hadden behandeld waarbij zij mechanisch beademd waren geweest en die nu op het spreekuur kwamen. 

In dezelfde week las ik het artikel ‘Long haulers are redefining COVID-19’ van Ed Yong in The Atlantic. Hij schrijft daarin dat van ‘of 1400 long haulers, two thirds of those who had antibody tests got negative results, even though their symptoms were consistent with COVID-19’ en ‘Of the long haulers, most are women. Their average age is 44. Most were formerly fit and healthy. They look very different from the typical portrait of a COVID-19 patient – an elderly person with preexisting health problems’. De patiënten voelden zich onbegrepen, artsen hadden tegen hun gezegd dat zij wellicht Chronisch Vermoeidheid Syndroom (Chronic Fatigue Syndrome) of Myalgische Encefalopathie (Myalgic encephalomyelitis) hadden, hetgeen zij als een onterechte diagnose zagen. Het was écht COVID-19. 

Het wordt gezien als een beperking van de moderne geneeskunde: de mogelijkheid om chronische pijn, chronische vermoeidheid, brainfog en andere cognitieve stoornissen, en een breed scala aan andere niet somatisch te verklaren verschijnselen en klachten. Voor de patiënten zijn de klachten reëel maar voor de artsen niet te verklaren omdat geen lichamelijke oorzaak is te vinden. Niet bij lichamelijk onderzoek, niet bij röntgenonderzoek, niet bij uitgebreid bloedonderzoek en onderzoek van andere lichaamsvochten zoals urine of liquor cerebrospinalis. Frustrerend voor patiënten, diens naasten en de hulpverleners. Het is daarom geenszins verbazend dat veel patiënten de oorzaak van hun lijden zien in een chronische lichamelijke ziekte. Vooral chronische infectieziekten zijn hierbij veelvuldig genoemd, zoals Candida, Brucella, poliomyelitis (kinderverlamming), Epstien-Barr virus (ziekte van Pfeiffer) en Borrelia burgdorferi (ziekte van Lyme). Daarnaast worden veel andere externe factoren verantwoordelijk geacht: straling, 5G, hoogspanningsmasten, zendmasten, chemische stoffen, enzovoort. Ook ziekten zoals chronische vermoeidheidssyndroom en fibromyalgie worden veelal onder onverklaarbare ziekten geschaard. De patiënten lijden, soms levenslang onder hun klachten. 

Chronische ziekte van Lyme is een van de meest bekende ‘onverklaarbare’ chronische (post)infectieziekten. Er kunnen geen antistoffen of actieve infectie worden aangetoond, langdurige antibiotica heeft, bij gerandomiseerd onderzoek, doorgaans hetzelfde effect als een placebo. De groep patiënten is zeer heterogeen. Niet verbazend is het dat de patiënten geen gehoor vinden in de reguliere geneeskunde, maar ook alternatieve behandelingen falen in de zin dat de verschijnselen niet (volledig) verdwijnen. Vele patiënten hebben dure, tijdrovende, ingrijpende maar uiteindelijk vruchteloze behandelingen ondergaan en voelen zich onbegrepen en uitgestoten. 

1934, Los Angeles, verpleegkundigen met ‘Chronic polio’

In 1934 werd ‘myalgische encefalomyelitis’ (ME) (het werd toen ‘atypical polio’ genoemd) voor het eerst beschreven toen in Los Angeles een groep verpleegkundigen een breed scala aan atypische verschijnselen kreeg. 75% van de patiënten was vrouwelijk en jonger dan 30 jaar. Er is nooit een direct verband gevonden met de ‘echte’ kinderverlamming. De term ME werd in 1957 in het Britisch Medical Journal beschreven in het artikel ‘An outbreak of encephalomyelitis’. Ook hier werden vooral vrouwelijk verpleegkundigen in het Royal Free Hospitalin London getroffen. Het werd daarom ook wel ‘Royal Free Disease’ genoemd. De neurologen/psychiaters McEvedy en Beard gaven in het Britisch Journal of Psychiatry (1973; 122; 141-150) hun (psychiatrische) mening over het incident en noemden het ‘Mass hysteria’. De voornaamste reden hiervoor was dat er geen enkele klacht objectief kon worden verklaard, de patiënten neurologisch helemaal ‘normaal’ waren en dat het hoofdzakelijk jonge vrouwen waren die getroffen werden. Hoewel door velen (met name door de patiënten zelf) tegengesproken blijken ME en CVS controversiële diagnosen. Dit komt met name omdat reguliere artsen niets kunnen doen voor de patiënten en dat daarom niet bij een bepaalde specialist (neuroloog, infectioloog) zijn onder te brengen. Daarnaast zijn de verschijnselen aspecifiek en breed. Vele reguliere artsen accepteren ME en CVS dan niet als ziekten. De Vereniging tegen de kwakzalverij noemt het daarom een ‘modeziekte’ of ‘non-disease’. Anderen noemden het ‘The stress of living in the 20th century’ of de ‘Yuppie flu’. Daarnaast willen patiënten het label ME/CVS niet hebben. Het heeft een slechte naam.

In 1829 beschreef John Mason Good in zijn boek ‘The study of medicine’ het beeld van Neurasthenia. In 1869 hield de Amerikaanse neuroloog Georg Miller Beard (1839-1883) een voordracht over ‘Neurasthenia, or nervous exhaustion’. Een verslag verscheen op 29 april 1869 in het Boston Medical and Surgical Journal. De verschijnselen die hij beschreef waren grotendeels identiek met ME/CVS en de onverklaarbare syndromen die ten tijde van infectieziekten (zoals polio, borreliose, etc.) voorkomen. Beard verklaarde de uitputting van het zenuwstelsel door de toename van het stressvolle leven in drukke steden met alle belasting en verantwoordelijkheid. Hij schreef er twee boeken over en noemde het de ‘American disease’. 

Het lijkt alsof de clusters van verschijnselen allemaal over hetzelfde gaan: Neurasthenia, Postviral fatigue syndrome, Benign myalgic encephalomyelitis , Chronic fatigue syndrome, Bodily distress disorder, post-lyme syndrome, atypical polio, etc.

Kenmerkend is dat voor geen van de genoemde syndromen objectieve aanwijzingen zijn die de verschijnselen kunnen verklaren. Daarom worden het ook SOLK (Somatisch Onvoldoende verklaarde Lichamelijke Klachten) genoemd. SOLK wordt door reguliere artsen gebruikt als ‘uitsluiting diagnose’ wanneer er geen somatische, bewijsbare, aandoeningen gevonden worden die de klachten verklaren. Er wordt dan een voornamelijk psychische component vermoed en de somatische artsen verwijzen naar psychologische en psychiatrische hulpverleners. In de DSM (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) wordt SOLK samengevat in Somatic Symptom Disorder (Somatoform disorder)

Zijn de ‘long COVID-19 haulers’ die Ed Yong beschrijft te zien als SOLK? Of is er wel degelijk sprake van een effect van besmetting met SARS-CoV-2? Ook al zijn bij herhaling geen antilichamen tegen de ziekte aan te tonen? Er is nu niemand meer die claimt dat hij/zij ‘Atypische polio’ heeft, omdat polio in de westerse wereld geen ziekte van betekenis meer is.

Er zijn sommige patiënten met bewezen en adequaat behandelde borreliose die daarna vage klachten overhouden. Het Post-treatment Lyme disease syndrome (PTLDS) maar er is ook een grote groep patiënten waarbij besmetting met borrelia bij herhaling niet aangetoond kan worden en toch een breed scala aan klachten hebben en claimen chronisch Lyme te hebben. Zij hebben SOLK.

Er zijn nu patiënten die bewezen COVID-19 hebben gehad en daar klachten van overhouden. In analogie met borreliose ‘Post-treatment COVID-19 syndrome’, maar wellicht ook een grote groep patiënten waarbij besmetting met SARS-CoV-2 bij herhaling niet aangetoond kan worden en nu claimen chronische COVID-19 te hebben.

Het Longfonds meldde onlangs dat 95% van coronapatiënten zes maanden na de besmetting nog steeds klachten hadden. De mean stream media nam dit nieuws zonder enige eigen research als waarheid over. Alles om het virus ‘als vreselijk’ in het nieuws te brengen. Nog meer angst zaaien. Maar ach, het longfonds had leden van de Facebookpagina ‘Corona ervaringen en langdurig klachten‘ geworven. 2113 deelnemers waarvan ‘slechts’ bij 345 antistoffen tegen SARS-CoV-2 waren vastgesteld. De meeste deelnemers zeiden zelf COVID-19 gehad te hebben, zonder dat dit ooit was vastgesteld. Dus in de prullenbak met dit onderzoek. Confounders te over.

Herhaalt de geschiedenis zich weer maar nu met een nieuw actueel label? Zullen wij ‘langdurige COVID-19’, net als bij ander infectieziekten, bij de meeste getroffenen uiteindelijk als SOLK bestempelen? Of zal het ‘ziektebeeld’ met het verdwijnen van SARS-CoV-2 ook weer verdwijnen? De tijd zal het leren. 

Kanker en intensive care opname: wordt eerder afgezien van reanimeren?

Opname op een intensive care kan nodig zijn om levensbedreigend falen van organen te ondervangen. Bijvoorbeeld met mechanische beademing. Een groot deel van de acuut op een intensive care opgenomen patiënten hebben al een of meer chronische ziekten onder de leden. Dit kan de behandeling en de uitkomst van de behandeling beïnvloeden. Hoe meer onderliggende chronische ziekten (zoals suikerziekte, hart- en vaatziekten, COPD) een patiënt heeft, hoe gecompliceerder de behandeling kan verlopen en hoe slechter de uitkomst is. Ongeveer 15-20% van op de intensive care opgenomen patiënten komt daar te overlijden. Het grootste deel (85-90%) nadat de ingestelde behandeling gestaakt wordt. 

Kanker en de noodzaak om acuut op een intensive care behandeld te moeten worden brengt twee ernstige levensbedreigende situaties bij elkaar. Is behandeling voor een acute aandoening, zoals een ernstige infectie, voor een patiënt zonder kanker al een grote aanslag op overleving en kwaliteit van leven, in combinatie met kanker is dat zeker het geval. Vandaar dat er hulpverleners (intensivisten, oncologen, ic-artsen en ic-verpleegkundigen) zijn die hun wenkbrauwen fronsen als er een kankerpatiënt voor acute intensive care behandeling wordt aangeboden. ‘Kanker’ heeft, ondanks dat veel soort kanker tegenwoordig goed te behandelen zijn, de behandeling vaak minder ingrijpend is dan vroeger, en een belangrijk percentage genezen kan worden of langdurig gestabiliseerd kan worden, nog steeds een naar stigma. ‘Van kanker ga je dood en als je dan ook nog acuut op de intensive care behandeld moet worden, dat is zinloos of disproportioneel,’ zullen velen nog steeds zeggen. 

Esther van der Zee, arts-promovendus op de intensive care van het Erasmus MC in Rotterdam, de intensivisten Jelle Epker, Jan Bakker en Dominique Benoit en ik onderzoeken dit stigma en bekijken of de diagnose ‘kanker’ of ‘kanker gehad hebben’ invloed heeft op besluitvorming ten aanzien van wel- of niet op de intensive care behandelen en wel- of niet reanimeren. 

In 2017 werden op de intensive care van het Erasmus MC in Rotterdam 2486 patiënten opgenomen waarvan 1046 (42%) acuut en ongepland. Hiervan leden 125 (12%) van de patiënten op het moment van opname aan kanker en werden daarvoor behandeld en waren 76 (7,3%) patiënten (recent) genezen verklaard na behandeling voor kanker. De meeste opgenomen kankerpatiënten (81%) hadden een zogenoemde solide tumor (bijvoorbeeld longkanker (10%), darmkanker (14%), galblaaskanker (8%), slokdarmkanker (11%)) en 19% had een vorm van bloedkanker (leukemie of een lymfoom). 

Wij hebben in deze selecte groep patiënten gekeken hoe vaak besloten werd om tijdens de behandeling op de intensive care de behandeling te beperken. Afgelopen week publiceerden wij de resultaten in het Journal of Intensive Care Medicine (PDF). 

Voorafgaande aan de ic-opname had 25% van de patiënten met actieve kanker een beperking in behandeling. Wij keken naar een vergelijkbare groep patiënten zonder actieve kanker. Hiervan had 7% voorafgaande aan de opname een behandelbeperking. Dit verschil kan te maken hebben met de inschatting of een patiënt met actieve kanker de ingrijpende intensive care behandeling wel zou kunnen overleven of dat de primaire behandeling voor kanker vooral palliatief bedoeld is en niet curatief gericht. Desondanks werd besloten de patiënt met een acuut medisch probleem op de intensive care op te nemen en te gaan behandelen.

Nadat de patiënt met actieve kanker op de intensive care was opgenomen werd bij 30% tijdens multidisciplinair overleg het besluit genomen de behandeling te beperken (bijvoorbeeld om niet meer reanimeren bij de hartstilstand of om niet meer dialyseren bij het falen van de nieren). Dit was 18% bij een vergelijkbare groep patiënten op de intensive care zonder kanker. Opvallend was dat de beslissingen in alle gevallen genomen waren door de behandelaars en in geen enkel geval op verzoek van de patiënt zelf. Het verschil is opmerkelijk omdat patiënten met kanker op de intensive care veelal niet zieker zijn dan patiënten zonder kanker. Doorgaans wordt prognose bij niet-kanker patiënten gunstiger ingeschat dan bij patiënten met kanker. Dit zou mee kunnen spelen in de besluitvorming.

Het verschil in behandelbeperkingen tussen patiënten met en zonder actieve kanker is opvallend. De beslissingen om de behandeling te beperken zijn in alle gevallen tijdens een multidisciplinair overleg genomen maar artsen moeten beducht zijn op het stigma dat nog altijd aan kanker kleeft. Het zou aanleiding kunnen geven tot stigmatisering en onbedoelde discriminatie. 

Leaving the field

Schermafbeelding 2020-08-26 om 11.21.25

Regelmatig vragen mensen mij waarom ik geen blogs meer schrijf of geen interviews meer geef over COVID-19.

De Schotse huisarts Malcolm Kendrick zei in een recente blog over COVID-19:

‘It is said that the first casualty of war is the truth. Never has this been more certain that with COVID. In this case, first we killed the truth, then we killed science, then we beat inconvenient facts to death with a club. It is all extraordinarily depressing.’

Ik hoorde onlangs de volgende anecdote:

‘Een patient vroeg aan zijn huisarts: ‘Wanneer is de corona-crisis over?’

De huisarts antwoordde: “Dat weet ik niet, want ik ben geen politicus’’

Ik ben een kritisch denkende wetenschapper, en zeker geen politicus, ik heb geen belangen bij een bepaalde mening en na vijf maanden ‘corona-crisis’ snap ik nog steeds heel veel niet over het gevoerde beleid in relatie tot de catastrofale gevolgen voor individuele gezonde mensen en de samenleving in zijn geheel. Er is tot mijn verbazing nauwelijks een zinvol  dialoog mogelijk, de MS-media volgt gedwee veelal een bepaalde starre politieke koers, de politiek zelf is vaak waarlijk onnavolgbaar en de invloed van kritisch denkenden en barricaden-beklimmers is marginaal en wordt ruimhartig geridiculiseerd en bekritiseerd. Het blijkt een taboe te zijn om je kritisch uit te laten over het COVID-19-beleid met alle gevolgen van dien als je dit toch doet. Ik kijk hiernaar vanaf de zijlijn, ik houd mij verre van de barricaden, dat is niet mijn manier, maar het is zorgelijk.

Ik heb vanaf het begin van de pandemie gezegd: ‘Er is meer in de wereld dan COVID-19’. Ik bedoelde daarmee dat ik vind dat het credo ‘COVID dixit’ de wereld onterecht geheel beheerst en er nog veel meer ziekten en issues zijn om je druk over te maken. Daarom zal ik mij nu meer bezighouden met andere ziekten dan COVID-19 en mijn kritische denken en tijd daaraan besteden. Zij moeten meer aandacht krijgen.

Vandaag zie ik in en buiten het ziekenhuis de gevolgen van vijf maanden blinde angst voor het veronderstelde ‘killervirus’: overal anderhalve meter regels en de werkelijke onmogelijkheid om deze overal en adequaat te volgen (Grapperhaus-effect). Mensen die angstig hun mond en neus afdekken met allerlei niet-medische gezichtsmaskers. Sommigen zijn efficiënt, maar de meeste zijn dat helemaal niet en zijn zelfs contraproductief. Overal zie ik mensen ondeskundig als makke schapen niet efficiënt met allerlei sprays en gels in de weer in de veronderstelling dat zij hier ‘HET virus’ mee bestrijden. Ik hoor dat de MS-media in vreselijke taal hijgerig en kritiekloos praat over uitbraken, besmettingen, brandhaarden en slachtoffers in een bizarre shame and blame modus naar jongeren die het na vijf maanden, begrijpelijk, het meer dan zat zijn en weer contact met elkaar willen maken. Contact dat verbindend en normaal is, maar dat bij geconstrateerde ‘overtreding’ beboet zal worden. Bizar.

En op de intensive care, …..daar merken we nu bar weinig van de veronderstelde ‘tweede golf’ en de ‘oplopende besmettingen’ en de ‘brandhaarden’. Vandaag liggen op de intensive care veel ernstig zieke mensen, maar allen (!) zonder COVID-19. Velen van hen zijn vele malen zieker en beschadigder dan COVID-19 patiënten. Een vijfde van hen zal de intensive care behandeling niet overleven en zij die het wel overleven zullen veelal een lang en moeizaam revalidatieproces moeten doorlopen. Velen zullen jarenlang, velen vaak levenslang, de gevolgen van hun ernstige ziekte merken en hiermee moeten leven. Daarin verschillen de ‘normale’ IC overlevers echt niet van de COVID-19 overlevers. Maar de MS-media doen ons anders denken. Dat de COVID-19 overlevers uniek zijn en hun leed ongekend is, maar dat is echt helemaal niet zo. Ze doen voorkomen alsof de intensive care voor maart van dit jaar Disneyland was. Maar ook dat was helemaal niet waar. Alsof COVID-19 het allerergste is wat een mens kan treffen. Ook dat is helemaal niet waar. Vele niet-COVID-19 overlevers van de intensive care zijn zelfs vele malen slechter af. Vandaar dat ik blijf zeggen: ‘Er is echt meer dan COVID-19′, en omdat je daar in de MS-media, politiek en samenleving zo bar weinig van merkt richt ik mij nu op deze groep. De niet-COVID-19-intensive care overlevers waar hulpverleners niet voor staan te klappen bij hun ontslag, die geen aandacht krijgen in de MS-media en talkshows, van wie wij de incidentie en sterfte niet publiekelijk bijhouden, die geen gezicht hebben in de samenleving, die geen angst genereren, maar die er wel degelijk toe doen en wiens lijden en dat van hun naasten en vrienden godverlaten intens is. Het lijkt alsof we dat met zijn allen vergeten zijn. Dat er echt veel meer is dan alleen dat virus waarvan ik de naam nauwelijks meer over mijn lippen krijg. Daarom verleg ik mijn focus.

 

 

 

Aannemelijk maken

Grief-300x226

Tussen 1 september 2020 en eind maart 2021 krijgt iedereen die zijn keuze over orgaandonatie nog niet heeft later registeren in het landelijke donorregister een brief van de overheid met de uitnodiging om deze keuze kenbaar te maken. Als je daar niet op reageert, komt er een tweede brief, en als ook daar niet op wordt gereageerd, dan wordt je in het donorregister geregistreerd als ‘geen bezwaar hebbend’ tegen orgaandonatie. Dit betekent dat in geval van overlijden op een intensive care onder de juiste omstandigheden (hersendood) en gebleken geschiktheid tot orgaandonatie de arts de naasten informeert dat transplantatiechirurgen de organen van hun naaste zullen gaan uitnemen voor transplantatiedoeleinden. Toestemming daarvoor vragen hoeft niet meer.

Op de website van de Rijksoverheid is het volgende daarover terug te vinden:

 

Schermafbeelding 2020-08-03 om 14.55.14

Dat laatste vind ik, ethisch bezien, toch wel problematisch.

Stel het volgende scenario voor:

Een 50-jarige vrouw is opgenomen op de intensive care na een ernstige hersenbloeding. De vrouw wordt mechanisch beademd en een tweede hersenbloeding op de intensive care geeft zoveel schade en zwelling van de hersenen dat deze volledig kapotgedrukt worden binnen de schedel. Omdat de vrouw daaraan voorafgaande al was geintubeerd en beademd kunnen de hersenen door de zwelling afsterven, terwijl de rest van het lichaam en de vitale organen blijven leven. Er is dan de toestand van hersendood ontstaan. De vrouw is geschikt als orgaandonor. In het donorregister staat zij als ‘geen bezwaar’ geregistreerd. De arts informeert de ontredderde naasten van de vrouw over de ontstane toestand en zegt hen dat haar organen zullen worden uitgenomen voor transplantatiedoeleinden. Hij vraagt hiervoor géén toestemming, dat is immers niet meer nodig. De ‘familie moet het ‘geen bezwaar’ immers accepteren’. Maar, nu gaan de naasten niet akkoord. Zij willen niet dat de organen worden uitgenomen en vragen de arts de vrouw in hun bijzijn te laten overlijden.

Voorafgaande aan de wetswijziging zou de arts weigering door de naasten accepteren en de behandeling staken zonder orgaandonatie. Nu moet de arts de naasten vragen of zij ‘aannemelijk kunnen maken‘ waarom de vrouw écht geen orgaandonatie zou hebben gewild.

Omdat deze vraag gesteld moet worden zullen de naasten een antwoord met argumentatie moeten geven. Dat is waar de arts op moet wachten voordat verdere stappen kunnen worden genomen. Het is nu aan de arts om te beoordelen of hij/zij de door de naasten gegeven argumentatie ‘aannemelijk’ acht. Op basis waarvan gaat de arts dat beoordelen? Dat is vooralsnog onduidelijk. Er is geen graadmeter op, bijvoorbeeld, een lijn van 1 tot 10 waarom de argumentatie getoetst kan worden. Het is dus aan de arts zelf dit te beoordelen. Wellicht in consultatie met een collega, verpleegkundige of een ethicus. Maar het zal het persoonlijke oordeel zijn van de arts over de gegeven argumentatie die de doorslag moet geven. Dat is wel raar want het kan dus willekeurig zijn. De ene arts kan de argumentatie aannemelijk vinden en een andere arts niet. Maar laten we eens aannemen dat de arts de argumentatie niet aannemelijk acht. Wat dan? Kan de arts dan zeggen: ‘Ik vind uw argumentatie niet aannemelijk dus wij gaan ondanks uw bezwaar over tot uitname van de organen’? Dat zou je immers kunnen verwachten. Als er geen toets voor aannemelijkheid moet zijn, waarom dan vragen naar de argumentatie?

De toets van aannemelijkheid moet de arts dus toepassen. Dit vraagt de Rijksoverheid van hem/haar.

Los van deze onduidelijkheid en mogelijke willekeur in beoordeling vind ik het ethisch problematisch om de ontredderde naasten op dat moment te gaan belasten met de vraag tot aannemelijk maken.  Ik vind dat het er helemaal niet toe doet waarom de naasten orgaandonatie weigeren. Het is niet aan de arts of wie dan ook om daar iets van te vinden. Wij moeten dit domweg respecteren en de naasten niet belasten met de vraag.

Ik ben zeer benieuwd hoe deze verplichting tot aannemelijk maken in de praktijk zal worden toegepast en hoe het oordeel over aannemelijkheid door de verschillende artsen zal worden genomen.

Aanraking

IMG_1703
Maureen en Aileen. Foto: Paul Wenham-Clarke, Edinburgh, Scotland

‘De eenzaamheid is bijna hoorbaar, het eeuwig suizen van een ketel net onder het kookpunt’

Erwin Mortier in Gestameld liedboek, 2011, p.101

In de rusteloze inspanning om een virus in de samenleving te beteugelen wordt nu al maanden de fysieke aanraking van hen die het zo hard nodig hebben geofferd. Ouderen en chronisch lichamelijk en verstandelijk beperkten in verzorgings- en verpleeghuizen werden plots afgesloten van diegenen die hen uit verbintenis en liefde wilden aanraken, strelen, vasthouden en zoenen. Zij hadden veelal geen keus. Het offer moest gebracht worden. Uit solidariteit. Solidair naar wie? Naar andere kwetsbaren en ouderen? ‘Mijn enige misdaad voor deze gevangenis is dat ik oud ben,’ zei een 88-jarige vrouw. Konden geliefden elkaar thuis nog gewoon aanraken, voor geliefden waarvan er een in een verzorgingstehuis woont en de ander daarbuiten was dit niet meer toegestaan.

Er ontstond al snel een hongersnood. Huidhonger. Streelhonger. Zoenhonger. Door het gemis aan aanraking verhongerden velen. Hun weerstand daalde. Hun immuunsysteem faalde toenemend. In eenzaamheid en hopeloosheid verkommerden zij. Velen sloten zich af van hun gevoel en stierven in eenzaamheid. Hulpverleners met de beste bedoelingen waren slechts surrogaat voor de geliefden. Zij konden de liefdevolle aanraking van de echte verbintenissen niet vervangen. Echtparen die een leven lang hun liefde naar elkaar hadden kunnen uiten, elke dag weer, mochten dit ineens niet meer. De uitgeslotenen snapten het niet. Waarom waren zij verlaten? ‘Ik ben ineens zo alleen,’ riep een 90-jarige vrouw elk uur van de dag naar de verzorgers. Er gingen er stuk door eenzaamheid. Terwijl zij nog niet stuk hadden hoeven gaan. Was het middel erger dan de kwaal? In de MS-media en social media verschenen vele schrijnende verhalen.

Ik stelde in een radiouitzending dat ouderen in de verzorgingshuizen door het gebrek aan aanraking verkommerden. De versoepeling waarbij een familielid een uur per week op anderhalvemeter mocht komen is gelijk een hond een kluif voorhouden en deze weer snel weg trekken. Er mocht nog steeds niet aangeraakt worden. Liane de Haan van de ouderenbond ANBO zei in dezelfde uitzending dat ik het hier mis had. Er verkommerden en verpieterden volgens haar écht geen ouderen in de liefdevolle verzorgingshuizen. Zij zei zelfs dat demente bewoners er rustig van werden en dat daarom de ingestelde regel helemaal niet zoveel kwaad kon. Hadden dan alle wanhopige familieleden die mij de meest hartverscheurende berichten stuurden het mis? Logen zij? Waren de foto’s die zij van hun ouders stuurden gefotoshopt? En konden de ouderen en zij die afhankelijk zijn van toevallige aanraking gemakkelijk maanden lang zonder lichamelijk contact? Was de maandenlange sociale en fysieke isolatie helemaal niet zo erg? Was hetgeen ik in de vele, vele wetenschappelijke publicaties over isolatie, quarantaine, huidhonger, hand-vasthouden, las dan baarlijke onzin? Hadden de hulpverleners die mij schreven dat demente bejaarden rusteloos in de nacht dwaalden en riepen op zoek naar hun geliefden het zo mis?

Ik vind de regels om het virus te beteugelen in beginsel moreel juist. Ik laat slechts de vreselijke bijeffecten zien van deze noodzakelijke maatregelen in de hoop dat we ervan leren en het een volgende keer wellicht anders kunnen doen. Als een heilzaam medicament dat ernstige bijwerkingen heeft en waarbij wetenschappers op zoek gaan naar een medicament dat even goed helpt tegen de kwaal maar wat minder of mildere bijwerkingen heeft.

Als iemand een kat streelt gaat deze spinnen. En wij strelen onze honden en katten elke dag. Deze dieren komen erom vragen. Geliefden kunnen niet van elkaar af blijven. Ga nooit weg zonder zoen en kom niet thuis zonder een fysieke aanraking. In bed, in de nacht, elkaars hand vasthouden terwijl de regen tegen de ramen slaat. Als je verdrietig bent schuilen in de armen van hen die van jou houden.

Lichamelijke aanraking is werkelijk van levensbelang. Zonder regelmatige fysieke aanraking en sociaal contact kan een mens door eenzaamheid sterven. Dat we nu de fysieke aanraking tijdelijk moeten ontberen dient daarom zo kort als mogelijk te zijn. Zo snel als mogelijk en verantwoord moeten we terug naar de normale, warme omgang met elkaar. Daar zullen toch de meesten het met mij eens zijn.

Sommigen verwoorden naar mij de waarde van de aanraking zo mooi. Zoals Mirjam die mij dit bericht stuurde over het contact met haar dochter:

Wij hebben 28 jaar voor onze dochter gezorgd, 23 jaar thuis, zij was totaal verzorgingsafhankelijk. En wat deed het ons goed om met haar en elkaar te zijn. Te ademen in haar ritme, als een aanraking van twee zielen, stil te staan de tijd te nemen en onvoorwaardelijk liefdevol aan te raken. Aanraking was onze taal onze communicatie. Spiertonus, huidspanning voelen, strelen en vasthouden, masseren en samen op de bank in slaap vallen, zij op schoot en hoe groter haar scoliose hoe heftiger de epilepsie we hielden vast, zo mooi. En zij beloonde ons met bewustzijn in haar ogen, ogen als sterren en een prachtige glimlach. Wat mis ik haar soms. Zonder vast te houden, een troostende hand te voelen, bemoedigend aan te raken verliezen we onze menselijkheid. Dus ik geef een hand met respect voor de ander die nee mag zeggen, ik hou vast liefst 20 seconden zodat het gelukshormoon vrij kan komen. Ik ben blij met de uitwisseling van levensnoodzakelijke goede bacteriën en ik was mijn handen iets vaker. Mijn menselijkheid ga ik niet verliezen, ik doe normaal.

Jonge mensen met COVID-19

Schermafbeelding 2020-06-02 om 09.28.36

Ja maar er zijn ook veel jonge mensen met COVID-19 opgenomen en overleden’ is mij vaak verweten als ik stelde dat het met name oudere mensen waren die getroffen worden door het SARS-CoV-2 en COVID-19.

Hoe jong is dan jong?’ was mijn wedervraag.

Nou dertigers, gezond en sportief,’ werd dan gezegd.

Had ik het mis? Overdreven zij? Tijd om de stand van zaken per 1 juni op een rijtje te zetten.

Voor de argumentatie heb ik een ‘jong iemand’ gedefinieerd als jonger dan veertig jaar en een ‘oudere‘ als iemand die ouder is dan zeventig jaar. Daarmee zeg ik niet dat iemand van 40 of 60 jaar niet ‘jong’ is.

Ziekenhuisopnames (gegevens RIVM/CBS)

In totaal zijn tot 1 juni 2020  11.744 patiënten met COVID-19 of een verdenking daarop in Nederlandse ziekenhuizen opgenomen geweest.  Daarvan waren er 4126 (35,1%) ouder dan zeventig jaar en 608 patiënten (5,1%) jonger dan 40 jaar.

Er zijn in Nederland 5962 patienten aan COVID-19 overleden. Daarvan waren 4290 patienten ouder dan 70 jaar (72%) en 15 patiënten (0,2%) jonger dan 40 jaar. Er is één patiënt, jonger dan 20 jaar, in Nederland overleden aan COVID-19. Van de 5962 overledenen was 62% (n=3684) ouder dan 80 jaar en 18% (n = 1098) ouder dan 90 jaar. Het waren dus met name ouderen die zijn overleden aan de gevolgen van COVID-19.

Van alle in Nederlandse ziekenhuizen opgenomen patiënten had 70% bewezen een of meer onderliggende chronische ziekte(n), 10% had dit niet en van 20% was dit bij opname onbekend.

Opname op de intensive care (gegevens NICE)

Op de intensivecareafdelingen (IC) lagen de meest zieke COVID-19 patiënten.

Schermafbeelding 2020-06-02 om 06.35.25

In totaal zijn op Nederlandse IC’s tot 1 juni 2020 2887 patiënten met bewezen of daarop verdachte COVID-19 opgenomen. Daarvan zijn er 829 patiënten (28,7%) op de IC overleden. Van deze overledenen waren er 427 patiënten (51,5%) ouder dan 70 jaar en 10 patiënten (1,2%) jonger dan 40 jaar. Ongeveer zeventig procent van de patiënten met COVID-19 heeft de IC levend kunnen verlaten.

Analyse

In 2019 had Nederland 17.282.163 inwoners, waarvan 8.101.825 mensen jonger waren dan 40 jaar (46,8% van de gehele bevolking). Uit deze leeftijdscategorie zijn 608 mensen in het ziekenhuis opgenomen met COVID-19, dat is 0,007% van deze 8.101.825 Nederlanders. De vijftien patienten jonger dan 40 jaar die aan COVID-19 zijn overleden vertegenwoordigen 0,0001% van deze leeftijdscategorie.

De kans dat in Nederland iemand van 30 jaar komt te overlijden (aan wat voor oorzaak dan ook) is voor mannen 0,054% en voor vrouwen 0,034%. Op veertigjarige leeftijd is dat voor mannen 0,114% en voor vrouwen 0,090%.

Gelukkig zijn maar zeer weinig jongeren, in deze analyse gedefinieerd als jonger dan veertig jaar, zodanig getroffen door COVID-19 dat zij in een ziekenhuis moesten worden opgenomen of aan de gevolgen daarvan overleden zijn. Vrijwel allen overleefden de ziekte. En bleek de kans om aan COVID-19 komen te overlijden voor iemand die jonger is dan 40 jaar vele malen kleiner dan de kans om te komen overlijden aan een andere oorzaak.

Dit alles doet uiteraard niets af aan het lijden van alle individuele patiënten, waarvan gelukkig het grootste deel de ziekte heeft overleefd, maar waarvan velen nog een lang traject van revalidatie en herstel tegemoet moeten zien. Maar dit is iets dat verre van uniek is voor een ziekte als COVID-19.

We weten niet hoeveel meer jongeren COVID-19 zouden hebben gekregen zonder de maatregelen, die kristallen bol hebben we niet, maar uit de statistieken van andere landen met hogere aantallen blijkt dat jonge mensen zelden ernstig getroffen zijn over overlijden door besmetting met SARS-CoV-2 en COVID-19.