Geanticipeerde risico-nemingsschaamte

Schermafbeelding 2020-05-25 om 12.05.32

Anderhalve meter bij elkaar vandaan blijven is, tijdens de huidige coronacrisis, een tijdelijke abnormale regel die bedoeld is om overdracht van het virus te voorkomen en te beperken. Er is veel onduidelijkheid over of de regel nu wel of niet werkt voor iedereen. Is anderhalve meter wel genoeg? Of is een meter al genoeg? Of is zes meter nog niet genoeg? Heeft het alleen zin in slecht geventileerde ruimten waar veel mensen bij elkaar zijn? En heeft het geen zin om anderhalve afstand te nemen in de buitenlucht? Is het zinvol bij jonge mensen die geen contact hebben met oudere en  kwetsbare mensen? Er is heel veel onduidelijk en daarom is het wellicht verstandig om in deze tijd in alle omstandigheden deze anderhalve meter regel te volgen. En dat doen we met ons allen vanuit vanuit angst en solidariteit. Maar hoe lang gaan we dit volhouden? Krijgen we een samenleving waarin anderhalve meter afstand tot elkaar normaal is geworden? De incidentie van besmettingen, ziekenhuisopnames en overlijdens daalt de laatste weken gestaag. Wellicht doordat de meeste mensen zichzelf streng aan de opgelegde regels hielden. Maar zeker weten we dat niet. Er is groepsimmuniteit hetgeen wil zeggen dat mensen ondanks alle regels toch besmet zijn geweest zonder dat ze daar iets van gemerkt hebben. Maar er dreigt, zo zeggen de virologen in de mainstreammedia ons, een tweede golf van besmettingen en dus ziekenhuisopnames en overlijdens. Wat dan? Wéér een lockdown, en un strenger? De collectieve economische en psychologische schade aan de samenleving is al aanzienlijk en het is nu nog onvoorspelbaar hoe groot deze werkelijk zal zijn.

Deze onzekerheid genereert angst in de samenleving en doet mensen de onzichtbare risico’s mijden en er ontstaat als gevolg geanticipeerde risicomijding en weer als gevolg dáárvan geanticipeerde risiconemingsschaamte. Het genereert groepsdenken en geïnternaliseerde risicomijding. Het is allemaal razend ingewikkeld.

Leven met risico’s Risicoloos leven is onmogelijk, maar het is mensen eigen om dit risico zo veel mogelijk te beperken. We sluiten bijvoorbeeld verzekeringen af om de financiële risico’s van onvoorziene incidenten af te dekken. Zo is er, wanneer je deelneemt aan het verkeer een risico op het veroorzaken van een verkeersongeval. Dat is een dagelijks risico. Je kunt niet voorspellen of je betrokken raakt bij een ongeval. Om te voorkomen dat we door zoiets onvoorziens  financieel in de problemen komen sluiten we dus een verzekering af. Zo heeft vrijwel iedereen een ‘wettelijke aansprakelijkheidsverzekering’ afgesloten. Het risico dat je andere mensen schade kunt berokkenen is reëel aanwezig en om de financiële gevolgen van de schade te beperken sluiten we een verzekering af. Of je laat je testen op darmkanker. Je laat een MRI-scan maken terwijl je geen klachten hebt. Hierdoor kunnen we tot op zekere hoogte gewoon en in zekere mate onbekommerd leven in de wetenschap dat risico’s erbij horen maar dat we voor de gevolgen beschermd zijn. Het geeft een gevoel van veiligheid.

Het risico op het krijgen van een ziekte is voor mensen reëel. In bepaalde periodes van het leven lopen mensen meer risico’s op het krijgen van ziekten. Gevorderde leeftijd doet het risico op ziekten toenemen: het immuunsysteem gaat  toenemend falen. Dit is de reden dat veel ziekten pas optreden in de ouderdom. Een man van twintig krijgt niet de ziekten waar zeventigjarigen veelvuldig aan lijden. Dit heeft ook te maken met leefstijl. Een ongezonde leefstijl vergroot het risico op het krijgen van leefstijl gerelateerde ziekten zoals atherosclerose (met hartinfarcten en beroerten als gevolg), bepaalde vormen van kanker, diabetes mellitus type 2 en hypertensie. Ook op jonge leeftijd. Iemand die het risico op het krijgen van dit soort ziekten wil voorkomen of beperken kiest voor een bepaalde leefstijl, bijvoorbeeld veganisme of sporten. Anderen nemen geen maatregelen tot het voorkomen van leefstijlziekten en zien in de gezondheidszorg een garantie/verzekering tot oplossing van de gevolgen van het genomen risico. Een groot deel van de geneeskunde is gericht op het behandelen van de uitingen van chronische leefstijlziekten. “Krijg ik een hartinfarct, dan krijg ik een stent en pillen”. Velen zien dit als een verzekering voor de risico’s van de gekozen leefstijl.

Velen zullen redeneren dat leven zonder risico’s slechts een basaal biologisch bestaan is zonder de kersjes op de appelmoes. Bepaalde risico’s nemen en accepteren maakt het leven immers ook aangenaam. Volkomen risicoloos leven is dodelijk voor een aangenaam sociaal en cultureel leven. Wat is er immers lekkerder dan met je vrienden een dampende pizza te eten, ook al loop je daarbij, wanneer je dat heel vaak doet, het risico op bepaalde ziekten. Het roken van sigaretten geeft een fors risico op longkanker en vele andere ziekten, maar niet roken zal voor het individu gevolgen hebben voor diens welbevinden. Wat is het heerlijk om met de auto naar zuid Frankrijk te rijden terwijl we weten dat er het risico is op een auto-ongeval. Wat is het fijn om bergen te beklimmen terwijl we weten dat we daar af kunnen vallen. Mensen gaan intiem met dieren om, ook al weten ze dat een nare zoönose op de loer kan liggen. Wat is het fijn om naar de tropen te gaan terwijl we weten dat we het risico te nemen op nare infecties. Daar anticipeer je dan weer op met vaccinaties. Moet je iemand niet meer zoenen vanuit de vrees een koortslip of ziekte van Pfeiffer op te lopen? Alsjeblieft niet. Wat is het heerlijk om naar grote events en samenscholingen van mensen te gaan ook al weet je dat je het oplopen van een infectieziekte riskeert. Zeker als het risico na het oplopen van de infectie niet direct zal leiden tot een ernstige ziekte of dood.  Zo redeneren de meeste mensen al vele jaren tijdens de seizoensgriep. Deze griep is niet dodelijk voor mij, dus neem ik het risico op besmetting voor lief. Ik ga daar niet voor thuisblijven. Tijdens het heersen van de seizoensgriep houden heel weinig mensen rekening met het risico op de het krijgen ervan Als het gewoon griep is: nou dan zieken ze wel uit. Mensen nemen het risico omdat het vermijden ervan  grote gevolgen heeft voor aangenaam persoonlijk, sociaal en cultureel leven en geluk. Ténzij je tot een risicogroep behoort en  je wél dramatische gevolgen van de besmetting kunt oplopen en een risico op overlijden loopt. Dan moet je jezelf beschermen met als gevolg dat je je sociale en culturele leven daardoor beperkt.

Schermafbeelding 2020-05-25 om 12.11.56

Wat is geanticipeerde risicovermijding? Ikzelf leef mijn leven in een risicovolle wereld. Maar ik weet dat risicoloos leven saai en funest is voor mijn persoonlijke, sociale en culturele leven en geluk. Ik rijd dus redelijk onbekommerd in mijn auto over de snelwegen. Ik weet dat ik dan risico’s door eigen gedrag zo veel mogelijk vermijd door mij aan de snelheid en verkeersregels te houden, maar ik weet niet of anderen dat eveneens doen en mij niet in gevaar zullen brengen. Ik calculeer dit in omdat ik met mijn auto ergens heen wil gaan. Ik anticipeer daarop. Ook loop ik overal een risico op besmetting met bacteriën en virussen. Maar ik calculeer dat in als een normaal risico in mijn normale leven. Mensen hebben mij gevraagd of ik niet bang ben om met een virus besmet te raken. Ik ben dat nooit geweest, niet bij influenza maar ook niet bij corona. ‘Maar als je dan ziek wordt en doodgaat?’ vragen zij mij in verbijstering. ‘Dan is dat zo’, zeg ik dan nuchter. En ik meen dit echt. Ik anticipeer op de risico’s door deze in het redelijke te vermijden en te aanvaarden dat een risicoloos leven voor mij persoonlijk echt onleefbaar is en ook omdat het leven nu eenmaal eindig is. Ik wil op mijn sterfbed kunnen zeggen geleefd en beleefd te hebben, vele mooie herinneringen verzameld te hebben, intiem en oprecht met mooie mensen omgegaan te zijn . Dat is voor mij een goed leven. Na een goed leven komt een goed sterven. Goed in de zin van aanvaarding. Ik wil niet in angst mijn leven leven door totaal zonder risico’s te leven.

Wat is risiconemingsschaamte? Oké, je calculeert het risico voor jezelf in en leeft daarnaar. Maar er zijn ook nog andere mensen. Als je risicovol leeft loop je het risico jezelf maar ook anderen te schaden. Veel te hard in je auto rijden kan een gevaar voor jezelf én anderen betekenen. Zonder condoom seksueel contact hebben als je weet dat je een geslachtziekte hebt kan een gevaar voor anderen betekenen. Je niet aan de anderhalve-meter regel houden kan een gevaar voor anderen betekenen. Maar het is eveneens menselijk om die risico’s in realiteit af te wegen en je leven dan daarop in te richten. Ook in solidariteit tot anderen. Veel rokers nemen het risico op longkanker voor lief, maar gaan naar buiten om te roken.

Maar aan longkanker kleeft een stigma. Je had het immers kunnen voorkomen. Daar kan je je, onder de sociale veroordeling, voor gaan schamen. Dat is risico-nemingsschaamte. De roker kan zeggen dat hij zich schaamt het risico op longkanker niet te hebben vermeden. Ze vinden hem daarom onverantwoord. Anderen schamen zich voor hun overgewicht door de sociale veroordeling en fat-shaming.

Wat is geanticipeerde risico-nemingsschaamte? Iemand is van mening dat hij risico’s zo goed mogelijk weet te vermijden en leeft daarna zijn voor hem en anderen waardevolle sociale en culturele leven naar. Geanticipeerde risiconeming en risicovermijding. Iemand internaliseert dit in zichzelf. Hij weet dat de risico’s die hij neemt en vermijdt reëel zijn en dat het daarom is dat hij goed handelt. Voor zichzelf en anderen. Anders is het wanneer gevoeld wordt dat het risico voor overdracht van bijvoorbeeld het ongrijpbaar virus wanneer de persoonlijke gevolgen klein zijn. Dan voelt hij weerstand als het volgen van de risicovermijding grote gevolgen heeft voor zijn persoonlijke, sociale en culturele geluk. Dan ontstaat er een intern conflict. Ik heb diverse weldenkende mensen gesproken die, zij het beperkt, met persoonlijke contacten niet aan opgelegde social distancing houden. Wel in het publieke domein, maar niet onder vrienden. Samen met een vriend of vriendin in de auto zitten, hen thuis bezoeken, hen omhelzen, zoenen en daarbij geen anderhalve meter afstand houden. Wat sommigen dan te horen kregen van anderen: ‘Maar wat als je nu iemand (je moeder, vader, opa, oma, buurman, neef, nicht, bakker, etc) besmet en dat die doodgaat? Ben je dan tevreden?’ Je bedenkt je dan dat je daarvoor zou kunnen gaan schamen en dat je je daarvoor sociaal veroordeeld zal kunnen worden. Velen zullen zich daarom conformeren en tegen hun eigen oordeel en eigen risico inschatting in géén vrienden meer bezoeken zonder de anderhalve meter regels te volgen. Deze mogelijke schaamte doet mensen geanticipeerd risico’s mijden die voor hun gevoel niet reëel zijn. Dat is geanticipeerde risico-nemingsschaamte. Dit is voor veel mensen heel moeilijk. Ik worstel zelf ook met dit interne conflict. Ik zie de laatste maanden met enige regelmaat twee vrienden en een vriendin (niet gerelateerd) en dat brengt hen en mij veel geluk. Echter ik voel wel degelijk de maatschappelijke druk dat men oordeelt dat wij onverantwoord risico’s nemen terwijl wij zelf totaal niet daarvan overtuigd zijn. Ik worstel ermee omdat hetgeen wij doen volkomen normaal en wenselijk intermenselijk gedrag is. Ik schaam mij dan mogelijk voor mijn normale gedrag. Ik voel dan dat ik in het oordeel van anderen onveilig leef, asociaal ben en niet solidair, terwijl dat in werkelijkheid helemaal niet zo is. Het is eigenlijk heel onnatuurlijk en niet gezond zo te denken.

Internaliseren van risicovermijding De angst om niet te besmetten en niet besmet te raken is in de coronacrisis in zowel de samenleving als in individuen sluipend maar snel geïnternaliseerd. Bijna iedereen voelt dit en handelt ernaar. Er bestaat nu ineens de angst voor ziekte en dood van onszelf en anderen en de drang dit koste wat het kost te voorkomen. Wat bij andere ziekten helemaal niet zo gevoeld wordt. Ik kan mij vanuit de moderne tijd niet een zodanige collectieve angst voor enige ziekte en dood herinneren.

Ook bij mijzelf voel ik deze (hopelijk tijdelijke) internalisering van risicovermijding. Ik houd afstand van mensen, ik geef geen handen meer, ik omhels en zoen geen mensen meer, met enkele uitzonderingen. Maar omdat afstand nemen tot mensen, geen handen geven, niet zoenen, niet omhelzen voor mij écht abnormaal gedrag is internaliseer ik deze risicovermijding als abnormaal en tijdelijk en daarom vergis ik mij, in mijn natuurlijke enthousiasme en oprechte gevoelens, af en toe. Soms, achteraf, tot mijn nieuw gevormde geïnternaliseerde schaamte, en sta ik ineens veel te dicht bij mensen, of geef ik anderen een hand, omhels ik hen of rijd ik met onbekenden in de auto mee. Door de opgelegde nieuwe geïnternaliseerde collectieve angst schrik ik daarvan, schaam ik mij en corrigeer ik snel mijn gedrag.  Ik schrik dan vervolgens weer van mijn nieuwe rare gedrag waarvan ik weet dat het voor mij écht abnormaal is. Het is heel complex en verwarrend.

Ik hoop oprecht dat ik weer zonder fysieke afstand en onbekommerd met anderen kan leven. En ik weer zelf mag bepalen welke risico’s ik neem of wil vermijden, óók voor en samen met anderen, en daardoor ik weer geluk kan ervaren in het door mij gekozen leven. Zonder schrik en schaamte voor het door mij en anderen zo gewenste en volkomen normale handelen.

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

De waarde van een hand geven en de noodzaak van het vasthouden van een hand

Schermafbeelding 2020-05-24 om 15.11.47

Ik ben iemand die het liefst iedereen bij de begroeting en afscheid een hand schud. Ik doe dat zelfs als ik in een winkel iets koop. Dan geef ik de verkoper na betaling een hand. Velen zijn daardoor aangenaam verrast. Ik doe dat mijn hele leven al en schud dus vele handen per dag. Het kan mij niet vaak genoeg plaatsvinden.

In de coronatijd wordt het geven van handen en ander fysiek contact afgeraden. Met onze handen raken we immers veel aan, met name ons eigen lichaam. Vele malen per dag raken we ons eigen gezicht aan. Mijn moeder heeft mij lang geleden geleerd dat als ik moest niezen ‘ik mijn hand voor mijn mond en neus moest houden’. Ook bij gapen is het beleefd je hand voor je open mond te houden. Als mensen ergens van schrikken houden zij hun hand voor hun mond. Ik poets, nadenkend, vele, vele malen per dag over mijn snor en baard.

Bij een virus als het coronavirus zit bij een besmet iemand het virus in snot, slijm, en uitgeademde lucht uit neus, mond en luchtwegen. en de omgeving daarvan En dus al snel ook aan de handen. Geef je dan iemand een hand, en diegene zit vervolgens aan zijn eigen gezicht, dan is besmetting met virussen een serieus gevaar. Het regelmatig wassen van handen met water en zeep kan echter veel narigheid voorkomen. En geen handen meer geven.

Ik heb mij, vanuit de bij mij diep geankerde gewoonte tot het geven van handen, de laatste weken meerdere malen vergist. Ik stak een hand uit ter begroeting, afscheid, ter bevestiging van iets of als dankbetuiging. Vroeger pakte eigenlijk iedereen dan mijn uitgestoken hand. De meeste mensen schrikken daar nu van terug. En daar schrik ik dan weer van. Dit doet mij elke keer weer realiseren dat het helemaal niet meer zo gewoon is om handen te geven. Sommigen maakten dezelfde vergissing en staken een hand uit naar mij en ik heb in de laatste weken, impulsief, al vele malen hartelijk de hand geschud. Mij realiserend dat deze voor mij zo gewone en zo enorm gewenste handeling in deze tijd (tijdelijk) ongewoon is, schrok ik en waste ik mijn handen; iets wat ik vóór de corona-crisis voorafgaande aan het geven van een hand  nooit deedIk conformeer mij daarbij aan het gestelde doel waar ik mij overigens volledig in kan vinden maar ik verzet mij er wel tegen om het niet geven van handen als normaal te gaan beschouwen. Mijn brein wil dat gewoon niet. Vandaar dat ik mij nog zo regelmatig vergis en een hand geef of ontvang. Het niet geven van een hand zit niet geankerd in mijn systeem. Ik hoop dat er weer een tijd komt waarin het geven van handen weer volkomen normaal is en niet meer iets onwenselijks. Wat fijn zou dat zijn. Maar ik ben niet zeker dat het ooit weer gewoon zal gaan worden.

Schermafbeelding 2020-05-24 om 15.40.57

Het geven van een hand, meestal de rechter , is een zeer gebruikelijke manier van begroeting en afscheid, om iets te benadrukken (bijvoorbeeld een handelsdeal of juridische overeenkomst ) of een felicitatie met wat dan ook. Ook geven man en vrouw (of man en man of vrouw en vrouw) elkaar de hand bij de huwelijksvoltrekking. Vredes tussen landen zijn door de eeuwen heen bezegeld doordat de leiders elkaar de hand schudden (de handdruk tussen Churchill, Truman en Stalin in 1945 en de bekende handdruk tussen Arafat en Rabin onder toeziend oog van Bill Clinton in 1993 zijn daar een fraaie voorbeelden van). Excuses voor wat dan ook worden in gelijkwaardigheid veelal, en voor de camera’s van de pers, bekrachtigd met een handdruk. Bij alle mogelijk riten is het geven van een hand een vast onderdeel van de vaak eeuwenoude vastgelegde gewoonten. Het geven van een hand is een krachtig teken van gelijkwaardigheid en respect en schept een band tussen de handengevers. In de meeste culturen wordt het weigeren van een handdruk dan ook gezien als respectloos. Toen op 19 november 2004 de imam Ahmad Salam de uitgestoken hand van Rita Verdonk weigerde was dat breaking front page news. 20 november 2009 was de nationale handschuddag om mensen dichter bij elkaar te brengen.

6a00d8341c897053ef0120a6ba0045970b
De imam Ahmad Salam weigert de uitgestoken hand van Rita Verdonk

 

Schermafbeelding 2020-05-24 om 15.04.45
Richard Nixon en Elvis Presley 21 december 1970
Schermafbeelding 2020-05-24 om 15.07.18
Winston Churchill, Harry Truman en Joseph Stalin, 25 juli 1945
Schermafbeelding 2020-05-24 om 15.08.51
Yotzhak Rabin en Yasser Arafat schudden elkaars hand onder toeziend oog van Bill Clinton op 13 september 1993

Vanwege de diepgewortelde gewoonte, symboliek en diepe betekenis is het advies om in de coronatijd helemaal geen handen meer te geven voor velen verwarrend. Als gezegd: reden voor mij, die respect en gelijkwaardigheid zeer hoog in het vaandel draagt, mij regelmatig te vergissen en hartelijk en oprecht een hand aan te bieden of bij aanbieding door een ander deze te schudden. Het weigeren van een aangeboden hand vind ik respectloos en beledigend, vandaar dat ik mij bij een aangeboden hand regelmatig vergis. Het hindert mij emotioneel dat ik een aangeboden hand moet weigeren of mijn hand niet mag aanbieden. Ook dat ik schrik als ik ‘per vergissing’ wel een hand geef. Het voelt zo onnatuurlijk en alsof ik de ander niet de moeite waard vind.  Maar ik respecteer in deze abnormale tijd de achterliggende reden en was mijn handen na het per vergissing geven van de hand dan maar grondig.

Old Hand Care Elderly

Naast het sociaal en intermenselijk bepaalde geven en schudden van een hand is het langdurig vasthouden van iemands hand ook zeer wenselijk fysiek gedrag. Het vasthouden van een hand van een stervende is bijvoorbeeld een algemeen aanvaard gebaar. Ik heb de handen van vele eenzame stervende patiënten vastgehouden. Als teken van connectie en troost. Stervenden worden rustiger als iemand hun hand vasthoud. Door de aanraking stijgt het hypothalamushormoon oxytocine in ons bloed en daalt het stresshormoon cortisol. Onze bloeddruk en hartslag daalt. Waarom doen we dat alleen in de stervensfase? Waarom houden we elkaars hand niet vast als we een persoonlijk gesprek met elkaar hebben? Waarom maken we dan niet de oprechte fysieke connectie? Is dat omdat we tijdens het sterven meestal niet meer verbaal communiceren? Ik geloof dat niet. Een hand langdurig vasthouden is een teken van oprechte intimiteit. Het is het doorbreken van een fysieke barrière. Wellicht durven we dat tegenwoordig in een tijd van #MeToo niet meer tijdens het gezonde leven omdat we het dan verwarren met seksualiteit. Het verwarren met een (ongepaste) seksuele toenadering? Het vasthouden van een hand kan immers alleen maar leiden tot meer lichamelijke toenadering zal men redeneren. Iets wat je met een stervende niet voorhebt. Zou daar het verschil in zitten?

Ik zou, tijdens een persoonlijk gesprek, iemands hand kunnen vasthouden zonder daarbij de drang te hebben tot verdere lichamelijke toenadering. In oprechte vriendschap, respect, gelijkwaardigheid en empathie.  Het zou waarlijk een meerwaarde zijn tijdens de intermenselijke connectie. Het geeft ook aanleiding to zogenoemd brain-coupling. Connectie maken tussen twee breinen. Hoe mooi kan het zijn! In het mooie overzichtsartikel Touch for socioemotional and physical well-being: a review schrijft Tiffany Field van het Touch Research Institute in Miami (in Developmental Review 2010; 30: 367-383): In fact, the absence of touch may prevent the development of a romantic relationship en Touch and love have been called indivisible. Wetenschappelijk onderzoek laat verder zien dat een aanraking een tien maal sterker effect heeft dan verbaal  en emotioneel contact. We zijn vergeten dat aanraking een basale en onmisbare eigenschap van de mens is. Geen ander zintuig kan ons zo positief beïnvloeden als de empathische aanraking. Waarom doen we dit dan zo weinig? Ondanks de overweldigende wetenschappelijke bewijzen dat aanraking heilzaam is en reductie geeft van pijn, angst, depressie en andere narigheid wordt aanraking als normale en wenselijke sociale communicatie ontmoedigd en als zeer ongepast en verdacht gezien in vele westerse landen. Het vasthouden van elkaars hand geeft brain coupling en daardoor een aanzienlijke reductie in pijnbeleving schrijven Pavel Goldstein en collegae in hun artikel Brain-to-brain coupling during handholding is associated with pain reduction (PNAS2018; 115: E2528-E2537).

Een gemeende aanraking of het empathisch vasthouden van elkaars hand is dus een gratis en prachtige gift aan diegene die wij liefhebben. Bizar dat we dat zo weinig doen.

IMG_1696
Photo: Ebony Finck, Australia

Bejaarden in verpleeg- en verzorgingshuizen hebben momenteel huidhonger. Zij willen aangeraakt worden. Door hen die zij liefhebben. Hun warmte en huid voelen. En dan werkelijk huid op huid contact, niet met een rubber handschoen daartussen. Het moet toch mogelijk zijn om dat werkelijke huid-op-huid contact te bewerkstelligen? Bijvoorbeeld door grondige desinfectie van beide handen.

Schermafbeelding 2020-05-24 om 15.27.53

De foto hierboven waarbij een 100-jarige man de hand van zijn 96-jarige vrouw niet wil loslaten ontroert mij enorm, wat een schoonheid. Maar het maakt mij ook diep somber als ik mij realiseer dat mannen en vrouwen die hun leven lang samen zijn geweest in het finale moment van hun relatie momenteel in quarantaine elkaars hand niet meer mogen en kunnen vasthouden. Ook niet aan het einde van hun leven.

Ik pas mij momenteel aan aan de huidige noodzaak van geen handen geven.  Maar tegelijkertijd verwijt ik het mijzelf niet als ik mijzelf soms vergis. Omdat ik het niet geven van een hand echt als abnormaal wil blijven zien. Ik pas mij nu volgzaam aan, maar tijdelijk. Wel neem ik na het bij vergissing geven van een hand de aanvaarde maatregelen en reinig mijn handen grondig.

Ik maak mij grote zorgen over het langdurig ‘normaal’ gaan vinden van een van de meest respectvolle en gelijkwaardige handelingen die mensen door de eeuwen heen gewoon en wenselijk hebben gevonden, en dat nu niet meer zullen doen. Mensen die nu stellen het wel prettig te vinden dat ze niet meer aangeraakt worden en geen handen meer moeten geven. En dit graag als normaal zouden zien. Zij die zeggen dat het ‘handen geven’ niet meer van deze tijd is. Wat een armoede zou dat zijn.

Het niet geven van een hand voelt voor mij als veel meer dan anderhalve meter afstand. Fysiek en emotioneel.

 

 

Voortijdig overlijden en psychisch leed door quarantaine en sociale isolatie

Social-Isolation-Depositphotos_178958244_s-2019

‘A sad soul can kill you quicker than a germ’

John Steinbeck in Travels with Charley: In search of America, 1962

 

Het isoleren van individuen uit de samenleving wordt gedaan om verschillende redenen. Bijvoorbeeld misdadigers worden in gevangenissen voor bepaalde tijd geisoleerd van de rest van de samenleving. Hun misdaad tegen de samenleving was te groot om hen onder ons te houden. Ook patiënten met ernstige psychiatrische stoornissen die een gevaar opleveren voor anderen en voor zichzelf kunnen worden geïsoleerd in een isoleercel in een ziekenhuis of inrichting. Patiënten met een besmettelijke infectieziekte worden geïsoleerd van mensen die de infectieziekte niet hebben. In het laatste geval wordt getracht dat gezonde mensen ziek worden te voorkomen. Dit laatste is gedaan met patienten met zekere COVID-19 of met een sterke verdenking daarop.

Quarantaine is een vorm van separatie en een opgelegde restrictie aan vrijheid van mensen die weliswaar niet ziek zijn maar waarvan men wil voorkomen dat zij ziek worden door een besmettelijke ziekte. Het wordt ook wel omgekeerde isolatie genoemd. Ook zieke mensen kunnen in omgekeerde isolatie worden verpleegd en behandeld. Bijvoorbeeld patienten met een sterk verminderde weerstand, bijvoorbeeld door leukemie, worden omgekeerd geïsoleerd. Men wil voorkomen dat ziekmakende micro-organismen hen bereiken en ziek(er) maken. Ook worden mensen die door leeftijd en/of chronische lichamelijke gesteldheid vatbaarder zijn voor besmetting en bij infectie zieker worden dan gezonden en het risico lopen aan de infectie te sterven in quarantaine geplaatst. Dit laatste is in Nederland de laatste twee maanden gedaan bij ouderen in verpleeg- en verzorgingshuizen. Oude mensen bleken door de toestand van hun afweer veel vatbaarder voor het coronavirus en als zij COVID-19 kregen was de sterfte onder hen groot. Waar jonge mensen na infectie een paar dagen hoesten en wat koortsig waren, stierven oude mensen snel en geraakten mensen met onderliggende ziekten op de intensive care aan de beademing.

Sociale isolatie en quarantaine worden algemeen gezien als een groot goed, want immers de twee grote vijanden, ziekte en dood, worden hiermee de pas afgesneden. Omdat alle ouderen in de tehuizen, zonder uitzondering, worden geïsoleerd, lijkt het alsof ervan uitgegaan kan worden dat oude mensen kwantiteit in jaren belangrijker vinden dan kwaliteit van sociale interactie. Het lijkt alsof de dood een altijd te bestrijden vijand is. Dat dit niet zo vanzelfsprekend is bleek de laatste weken door hartverscheurende verhalen van verkommerende bejaarden die hun (klein)kinderen en andere dierbare in het geheel niet meer mochten zien. Fysiek contact was helemaal uit den boze. Er heerste een hongersnood in de huizen, geen nood aan voedsel, maar aan fysiek huidcontact en aandacht. De arme ouderen moesten maar volhouden was het, voor mij, onbegrijpelijke credo. Isolatie zonder consent. Quarantaine zonder zelfbeschikking of een eigen keuze. Oude mensen die ons land na de tweede wereldoorlog wel hebben opgebouwd worden onmondig sociaal geïsoleerd van alles wat hen in het leven nog rest.

Het is al lang bekend dat quarantaine en afgedwongen isolatie  altijd een negatieve ervaring is voor diegenen die het moeten ondergaan. Het verlies van vrijheid, autonomie, de gedwongen separatie van geliefden, het ontberen van lichamelijke aanraking, verveling en onzekerheid over de duur van de isolatie kunnen werkelijk een dramatisch effect hebben op de psychische gesteldheid van mensen.

Zo blijkt de duur van de quarantaine van belang. Tijdens een SARS uitbraak bleek dat mensen die gedwongen langer dan tien dagen in quarantaine verbleven een significant hogere kans hadden op langdurige stress gerelateerde stoornissen dan zij die korter dan tien dagen in quarantaine verbleven (Hawryluck et al. SARS control and psychological effects of quarantaine. Gepubliceerd in: Emerging Infectious Diseases 2004; 10: 1206-1212). Oude mensen zitten in veel gevallen al bijna twee maanden in quarantaine in Nederlandse verpleeg- en verzorgingshuizen.

Oude mensen met cognitieve beperkingen, zoals dementie, worden nu geïsoleerd van hun naasten. Velen zijn daarvan ernstig in de war. Zij snappen niet dat hun geliefden hen niet meer bezoeken. Familieleden zijn hier radeloos onder. Onderzoek heeft juist laten zien dat sociaal geïsoleerde mensen met cognitieve en psychiatrische ziekten tijdens een MERS uitbraak 4-6 maanden na het opheffen van de quarantaine nog steeds angstig en ontstemd zijn (Jeong et al. Mental health status of people isolated due to Middle East respiratory syndrome. Gepubliceerd in Epidemiology and Health  2016; 38: e2016048).

In vele studies zijn de negatieve psychologische effecten van isolatie en quarantaine gevonden en beschreven (onlangs samengevat door Samantha Brooks et al. The psychological impact of quarantaine and how to reduce it: rapid review of the evidence. Lancet 2020; 395: 912-920). Zij beschrijven dat de hopeloosheid van de geïsoleerden tijdens de quarantaine vanzelfsprekend (‘unsurprising’) is, maar dat het werkelijk zeer zorgelijk is dat de negatieve psychologische effecten zich maanden tot jaren later nog kunnen uiten.

Als ik in hun review lees dat: ‘Longer quarantaine is associated with poorer psychological outcomes’ en dat de auteurs adviseren de isolatie zo kort als mogelijk te houden (maximaal 10 dagen), dan voel ik de rillingen over mijn rug wetende dat de meesten al bijna twee maanden zijn geïsoleerd van hun dierbaren. Vandaag werd duidelijk dat ‘als proef’ in een verzorgingshuis, naasten met mondkapjes op één uur per week op bezoek mogen komen. Eén uur per week!! Mijn god!

Niet alleen zijn negatieve psychologische effecten overduidelijk, ook lichamelijk heeft sociale isolatie een negatief effect. Matthew Pantell en collegae beschreven in hun artikel ‘Social isolation: a predictor of mortality comparable to traditional clinical risk factors’ (American Journal of Public Health 2013; 103: 2056-2062) dat mensen in sociale isolatie een veel hogere kans hebben op overlijden dan vergelijkbare mensen die niet geïsoleerd zijn. Eerder was dit al beschreven door Julianne Holt en collegae in PLosMedicine (2010; 7: e1000316) (Social relationships and mortality risk: a meta-analytic review). Zij reviewden 146 wetenschappelijke studies en vonden een 50% hogere kans op overlijden bij sociaal geïsoleerden. Zij onderzochten later ook het effect van eenzaamheid op sterfte (Loneliness and social isolation as risk factors for mortality: a meta-analytic review. Gepubliceerd in Perspectives on Psychological science 2015; 10: 227-237).

Als mannen regelmatig door dierbaren werden bezocht daalde het risico met bijna 30% op een hartinfarct  (Eng et al. Social ties and changes in social ties in relation to subsequent total and cause-specific mortality and coronary heart disease incidence in men. American journal of epidemiology 2002; 155; 700-709).

Door quarantaine en sociale isolatie wil men in de coronacrisis voorkomen dat mensen geïnfecteerd worden met het virus en ziek worden. Daarbij wordt over het algemeen uitgegaan dat de weerstand van de geïsoleerden gelijk blijft door de maatregel. Dit blijkt echter in het geheel niet te zien.  Sheldon Cohen en collegae onderzochten of sociale verbintenissen met familie, vrienden, werk en samenleving geassocieerd waren met een verhoogde kans om ziek te worden van besmetting met twee verschillende rhinovirussen, virussen die verkoudheid veroorzaken.  Zij testen dit bij 276 gezonde vrijwilligers. Zij vonden dat hoe meer sociale en emotionele verbintenissen de proefpersonen hadden, des te resistenter zij waren tegen het virus. Zij publiceerden hun bevindingen in het toonaangevende tijdschrift JAMA (Social Ties and Susceptibility to the Common Cold, JAMA 1997; 277: 1940-1944).

Ik heb géén wetenschappelijke studies kunnen vinden waarin gesteld is dat quarantaine en sociale isolatie géén of minimaal negatief effect hebben op de psychische en lichamelijke gezondheid. Allen (!) beschrijven ingrijpende negatieve effecten.

Men wil met de gedwongen quarantaine en sociale isolatie voorkomen dat ouderen en kwetsbaren ziek worden en komen te overlijden. Het lijkt, alle wetenschappelijke studies hierover lezend, er veel meer op dat de isolatie en quarantaine juist dodelijk voor hen zijn. Er is oversterfte in de verpleeg- en verzorgingshuizen die niet direct COVID-19 gerelateerd is.

Ik word hier triest van en twijfel of we hier later nog neutraal naar kunnen terugkijken.

Oversterfte door verkommering en eenzaamheid

Schermafbeelding 2020-04-28 om 13.17.30

Een van de onderwerpen waar ik, als filosoof, veel over nadenk is ‘geluk’ en de ‘ervaring van geluk’. Ik word gelukkig door het aangaan en onderhouden van verbintenissen. In de eerste plaats met mensen. Er zijn een aantal mensen waarbij ik mij gelukkig voel. Als ik bij hen ben voel ik mij vrolijk, veilig, geborgen en ontspannen, dat ervaar ik dan als geluk en daarom koester ik alle momenten dat ik bij hen kan zijn. Ik verzamel in mijn gedachten heel bewust de herinneringen aan deze momenten en herbeleef ze in tijden dat ik niet bij hen ben of kan zijn. Een andere verbintenis die geluk genereert is de verbintenis met situaties. Vaak gaat dat samen met de verbintenis met mensen. Samen iets ondernemen, ergens heen gaan, of gewoon zwijgend samenzijn, langdurig elkaars hand vasthouden. Dat zijn waarlijk waardevolle situaties. Dit alles kan ik nu vrij gemakkelijk doen omdat ik gezond ben van geest, lijf en leden en mijn dierbaren dit ook zijn. De verbintenis met mijn gezonde lichaam, als je al over een verbintenis met je eigen lichaam kunt spreken, is cruciaal voor mijn gelukservaring. Ik kan gaan en staan waar ik wil, ik kan naar de dierbaren uit mijn inner circle toegaan en samen met hen geluk gevende ervaringen opdoen. Dat geeft wederkerig geluk. Ook word ik gelukkig van bepaalde materiele zaken, zoals bijvoorbeeld boeken.

Gaandeweg het leven onthechten mensen van geluk gevende verbintenissen. Vrienden, familieleden, partners komen te overlijden. Door gebrekkigheid en ouderdom en het ontbreken van dierbaren zijn de gelukgevende situaties niet meer vanzelfsprekend en materie wordt steeds minder belangrijk. Dat is natuurlijke onthechting. Doordat het lichaam faalt, de inner circle steeds kleiner wordt, doordat je onthecht van materie, is het contact met de enkele dierbare overblijvers veelal het enige dat nog geluk kan genereren. De rest doet er dan niet zoveel meer toe. Dit is vooral van toepassing op ouderen die door lichamelijke gebreken verzorging en verpleging moeten krijgen in de Nederlandse verpleeg- en verzorgingshuizen. Het frequent zien van hun nog levende partner, hun kinderen, kleinkinderen en nog overgebleven vrienden is dan cruciaal voor het ervaren van flarden van geluk. Je nieuwgeboren kleinkind vasthouden, een kleurplaat van een ander kleinkind ontvangen, een knuffel van je zoon of je dochter die je hand vasthoudt. Het zijn de waarlijke hoogtepunten. We weten al lang dat eenzaamheid dodelijk is en dat sommigen snel sterven aan een ‘broken heart’ als de laatste dierbare is komen te overlijden.

Op mijn blog ‘een verwacht overlijden op hoge leeftijd of een coronadode’ heb ik zeer vele reacties gekregen. Sommigen zijn zodanig dat ze mijn adem hebben doen stokken en ze bevatten woorden die langdurig in mijn gedachten blijven doordreunen. Reacties waarin situaties worden omschreven waarvan ik, als ervaren ethicus, niet zo hebben kunnen vermoeden dat ze in een welvarend land als Nederland zouden kunnen voorkomen. Zoals de hartverscheurende reactie van Jeannine die ik gisteren ontving:

“Vorige week:
Mijn moeder van 94 jaar mag ik niet bezoeken, met face bellen zien ik 3 personen van personeel bij haar staan, een activiteiten begeleidster, een ergotherapeut, en een man van de technische dienst, …maar ik mag haar al 6 weken niet bezoeken … Ze ziet er treurig uit, de tranen lopen over haar gezicht, ze kan amper meer uit haar woorden komen, fysiek letterlijk in elkaar gestort, wil niet meer eten, haar haren als slierten rond haar gezicht, … Ze kreeg dagelijks bezoek van één van haar kinderen, …en nu … Hoe zo sterven aan corona, …ze gaat dood aan verlatenheid en afzondering, omgeven door goedbedoelde voor haar naamloze vreemden ( dat mag wel), …als dit doorgaat gaan we misschien niet direct dood aan corona maar zeker wel aan ontmenselijking …!!!

Vandaag 27 april 2020:
Heel persoonlijk weet ik en toch, het moet maar de wereld in:
Het laatste nieuws met betrekking tot mijn moeder, ze eet en drinkt niet meer, ligt de hele dag op bed, heeft een katheter in die beperkt functioneert, heeft al dagen geen ontlasting, heeft een stinkende decubitus wond. Op mijn vraag of we nog langer moeten wachten is het antwoord dat de leiding beslist of we haar mogen bezoeken. Deze is vandaag echter niet aanwezig, of ik morgen terug kan bellen.

En echt ik begrijp dat de mensen aan het bed hun uiterste best doen.

En voor de duidelijkheid mijn moeder heeft GEEN corona !!!

Mijn broer en zus wonen heel dicht bij haar en gingen dagelijks op bezoek, ze is gewoon weggekwijnd …
94 jaar oud en je komt zo aan je einde … Ik heb hier geen woorden meer voor …”

Dit is een voorbeeld een door corona-regels afgedwongen, onmenselijke, onthechting. Een beschrijving van ontreddering van dierbaren die dit moeten meemaken. En dit alles om te voorkomen dat het virus de ouderen pakt en eventueel zal doden, daarom laten we hen in eenzaamheid en verkommering sterven. Ik begrijp de achterliggende gedachte om het virus te beheersen heel goed, maar dat maakt de handeling niet minder onmenselijk.

Kranten schrijven dat er in de laatste weken een grote oversterfte in Nederland is. Grafieken laten onheilspellende stijgende rode lijnen zien Er zouden veel meer mensen zijn overleden dan te verwachten was. De boosdoener is, uiteraard, het coronavirus en COVID-19. Waar zouden ze immers anders aan dood zijn gegaan? Anders valt dit toch niet te verklaren? Het lijkt wel alsof COVID-19 het enige is waar mensen in deze tijd aan komen te overlijden. Maar niet elke onverwachte dode is een direct ‘coronaslachtoffer’. Het CBS turft niet de overledenen die in verzorgingstehuizen en verpleeghuizen sterven door verkommering, wegkwijning, eenzaamheid en gedwongen isolatie van alles wat het nog in het leven restte en wat hen nog geluk gaf, zoals de moeder van Jeannine. Deze ‘oversterfte’ wordt niet bijgehouden, maar die is er wel degelijk en kan een aanzienlijk aantal overledenen in de oversterfte van de laatste weken verklaren. Het ware aantal zullen we nooit weten. We kunnen er alleen maar van weten doordat ontredderde naasten hun verhalen aan ons vertellen, verhalen waarvan de criticasters zullen zeggen dat het incidenten en uitzonderingen zijn.

 

 

 

Een orgaandonor

 

Het transplanteren van vitale organen, zoals nieren, lever, longen en hart is de levensreddende oplossing voor vele patienten in het eindstadium van orgaanfalen, soms bij acuut orgaanfalen (bijvoorbeeld bij leverfalen door een acute vergiftiging) of verbetert de kwaliteit van leven (bijvoorbeeld bij nierfalen waar door de transplantatie geen dialyse meer nodig is). Daardoor is het moreel bezien goed medisch handelen. Nastrevenswaardig en wenselijk. Echter er zijn te weinig orgaandonoren. Daar zijn diverse redenen voor, waaronder onwetendheid over de procedure. Velen hebben mij gevraagd: hoe gaat zo’n orgaandonatie? En dan willen zij niet alleen de technische details weten, maar vooral, wat doet het met de betrokkenen. Wat kunnen zij verwachten. Hoe is het voor de naasten van de beoogde donor en voor de hulpverleners.

Om hieraan tegemoet te komen schreef ik het verhaal van Anna, Peter, Ruben en Sarah. Een toegankelijk verhaal in romanvorm. Daardoor invoelbaar en voor een ieder goed te begrijpen. ‘Een orgaandonor’ is het verhaal van de achtendertigjarige Anna die onder de douche een hersenbloeding kreeg. Deze jonge vrouw belandt vanuit een onbekommerd bestaan op de intensive care en wordt uiteindelijk orgaandonor. Zij is een van de paar honderd mensen die jaarlijks in Nederland onder zodanige omstandigheden overlijden dat zij geschikt zijn voor orgaandonatie. Nogmaals, voor mij is het resultaat, het verkrijgen van organen voor transplantatie, nastrevenswaardig en moreel te rechtvaardigen. Maar we moeten onze ogen niet sluiten voor het onvoorstelbare leed van de naasten. Helaas wordt daar teveel aan voorbij gegaan.

Gebaseerd op meer dan vijfendertig jaar praktijkervaring vertel ik het verhaal van Anna en met name van haar door paniek en verdriet getekende naasten. Onverbloemd, rauw, verhalend en zonder restrictie naar de werkelijkheid wordt het donatieproces beschreven, vanaf het moment van de onverwachte ernstige aandoening tot het uitnemen van haar organen voor transplantatie. Beklemmend en alledaags zoals het in de praktijk op de intensive care toegaat. Het verhaal dat je zelden hoort omdat vrijwel alle aandacht naar de ontvangers van de organen gaat en de beschikbare informatie over orgaandonatie grotendeels feitelijk is.

Dit verhaal laat voelen wie de betrokkenen bij orgaandonatie echt zijn: de van godverlaten intens verdriet verscheurde nabestaanden en gepassioneerde, respectvolle artsen en verpleegkundigen.

Schermafbeelding 2019-09-29 om 09.07.07

Donderdag 14 april, 07:14

Peter trekt zijn colbert aan en schikt, al lopend, de boord van zijn overhemd. Hij kijkt op zijn horloge. ‘Shit. Ik moet opschieten,’ mompelt hij.

‘Anna!,’ roept hij onder aan de trap, ‘Ik ga vanmiddag naar de afscheidsborrel van Eric, je weet wel, die collega van Ernst die met pensioen gaat. Zal wel een uur of negen worden vanavond voor ik thuis ben.’

‘Oké,’ zegt Anna vanaf de overloop, ‘Ik ben ook later thuis. Ik ga met Annemiek en Emma wat eten bij ‘Aan Zee’.’

‘Have fun! Ik moet nu gaan. Ik zie je vanavond, lief,’ roept Peter.

Hij pakt de tas met dossiers, slaat zijn toga over zijn arm en loopt gehaast het huis uit. De voordeur trekt hij met een iets te harde klap achter zich dicht.

‘Moet dat nu écht allemaal zo hard ’s-morgens!,’ zegt Ruben met zware stem, ‘Allemachtig, het is net zeven uur geweest.’

In zijn verkreukelde boxershort loopt hij, nadrukkelijk in zijn kruis krabbend, naar de badkamer en werpt zijn moeder op de overloop een verwijtende blik toe.

‘En moet ik ’s-morgens met de badkamerdeur wijd open naar dat gepis van jou luisteren?,’ zegt Anna tegen haar zeventienjarige zoon.

‘Leuk hoor.’ Ruben werpt haar een gefakete glimlach toe, loopt terug naar zijn kamer en laat zich op zijn bed vallen.

‘Hoe laat moet je op school zijn?.’

‘Tien uur en ik ben twee uur weer vrij.’

‘Zie ik je vanmiddag weer.’

Ruben gromt wat onverstaanbaars van onder zijn dekbed.

Donderdag 14 april, 15:12

Ruben legt zijn hoofd op de rand van de rugleuning van de bank.  Om hem heen, zoals hij ze noemt, zijn ‘Life-savers’: iPhone, afstandsbediening voor de televisie, koptelefoon, MacBook, halfvolle anderhalve liter fles Icetea en zijn zwarte Nikes.

Hij hoort de achterdeur dichtslaan.

‘Dag mam,’ zegt hij zonder op te kijken.

Anna bukt, legt haar hand op zijn schouder en kust hem boven op zijn hoofd.

‘Hoe was het op school?’

‘Goed hoor’.

‘Wil je ook thee?,’ vraagt Anna terwijl ze naar de keuken loopt.

‘Graag, doe maar rooibos.’

Anna leunt met haar billen tegen het aanrecht terwijl de waterkoker steeds meer lawaai begint te maken als teken dat het water op het kookpunt is. Met een harde tik schakelt de waterkoker zichzelf uit. Ze giet het gekookte water in twee glazen en hangt de theezakjes in het dampende water.

Anna zet de twee glazen op de salontafel, schopt haar schoenen uit en ploft op de bank. Zij trekt haar knieën op en wrijft met beide handen over haar blote schenen en voeten.

‘Niets zeggen over het ontbreken van zijn leerboeken om hem heen. Dat geeft gelijk verzet,’ denkt Anna. Geen ruzie nu. Hij heeft over twee weken toetsen en zij heeft hem maar weinig zien leren. Hij gaat elke avond met zijn vrienden chillen. Gamen. Drinkt dan eigenlijk teveel. Gelukkig rookt hij niet. Ondanks dat hij nauwelijks voor toetsen leert lukt het hem doorgaans toch wel voldoendes te halen. Weliswaar meestal zesjes, maar hij rolt er zonder veel problemen de middelbare school mee door. Dus het zal ook nu wel weer goed komen. Echt een jongen. Heel anders dan zijn zus die kan huilen om elke onvoldoende.

‘Hoe gaat het met Chris? Die zit toch ook in het examenjaar?,’ vraagt Anna. Ze vouwt haar beide handen om het warme theeglas en neemt voorzichtig een slok van de hete thee.

Ruben vertelt zijn moeder dat Chris het heeft opgegeven dit jaar over te gaan en gezegd heeft voor geen enkel tentamen meer te gaan leren. Ook vertelt hij over het mateloze blowen van Alex. De seksuele uitspattingen van Sandra.  Hij heeft daar niet zoveel mee. Zijn vrienden vinden haar gewoon een hoer. Ook heeft hij het wel gehad met het zuipen om het zuipen en vindt hij het veel leuker met zijn vrienden Manuel en Mark bij te praten met één of twee biertjes. Meisjes interesseren hem niet veel. Te moeilijk. Teveel verloren vrije tijd. Te duur. Komt allemaal wel.

Anna luistert en zegt niets terug. Zonder tegenspraak en met aandachtig luisteren hoor je het meeste van je kinderen.  Loslaten blijkt het toverwoord. De kinderen willen zich losmaken maar tegelijkertijd er ook bij blijven horen. Bij het vertrouwde thuis. Als ouder moet je leren de regie los te laten. Niet teveel mee bemoeien. Het komt meestal wel goed.

‘Wat ga je eten vanavond? Je vader, Sarah en ik zijn niet thuis met avondeten. Sarah gaat vanuit school direct door naar de hockeyclub en eet daar een tosti. Je vader heeft een afscheidsborrel van een collega en ik ga met Annemiek en Emma wat eten bij ‘Aan Zee’.’

‘Ik weet het. Dat was mij vanmorgen vroeg al overduidelijk dat jullie die plannen hadden. Ik gooi wel een pizza in de oven. Er liggen nog twee Pepperoni’s in de vriezer.’

‘Wil je dat we nu even naar je planning voor de toetsweek kijken of vanavond wanneer ik terug ben?,’ vraagt Anna voorzichtig.

‘Doe maar vanavond. Ik heb nu even geen zin.’

‘Afgesproken. Ik ga nu douchen en mij omkleden voor ik wegga.’ Ruben lacht.

‘Wat lach je nou?’

‘Je kan het toch niet laten hè, je met mijn school te bemoeien.’

‘Maar je hebt er zelf om gevraagd, om er samen naar te kijken,’ zegt Anna verontschuldigend.

‘Ja hoor, het is goed.’

Anna staat op van de bank, zet het lege theeglas op de tafel en loopt de kamer uit.  In het voorbijgaan haalt zij haar hand door Ruben’s haar.

‘Laat dat nou eens!,’ zegt Ruben. Hij trekt zijn hoofd weg en haalt met zijn arm uit naar zijn moeder. Deze springt opzij.

‘Dan moet je sneller zijn knul,’ zegt zij lachend.

‘Ga nou maar douchen, anders kom je te laat bij je vriendinnen.’

Donderdag 14 april, 16:21

In de slaapkamer opent Anna de kledingkast. Het warme voorjaarsweer nodigt uit tot weinig verhullende kleding. Ze heeft zin iets uitdagends aan te trekken. Zij pakt een zwart jurkje met een print van kleine roze en lichtblauwe bloemetjes uit de kast en legt deze op het bed. Wanneer zij deze aanheeft komt de onderrand zo’n tien centimeter boven haar knieën uit. Het heeft een diepe V-hals. Een favoriet jurkje. Uitdagend. Vrouwelijk.

‘Helemaal goed!,’ zegt ze tevreden hardop tegen zichzelf.

Met een brede glimlach op haar gezicht schopt ze haar schoenen uit, trekt haar T-shirt uit en wurmt haar benen uit de strakke spijkerbroek.

In de badkamer draait ze de douchekraan open en hangt haar BH aan een handdoekenhaak. Haar zwartkanten slip gooit ze in de wasmand. Tevreden kijkt ze naar de weerspiegeling van haar naakte lichaam in de badkamerspiegel. Ze wrijft met haar beide handen van bovenaf over haar stevige borsten.

‘Mooie meid,’ zegt ze hardop tegen haar spiegelbeeld en haalt langzaam de vingers van haar beide handen door haar schouderlange kastanjebruine haar.

Donderdag 14 april, 16:30

Anna gaat met haar gezicht vlak onder de douchekop staan. Het lauwwarme water stroomt over haar gezicht via haar kin op haar borsten. Ze wrijft met vlakke handen haar haar naar achteren. Genietend van de warmte mijmert Anna weg over de voorgenomen borrel straks met Emma en Annemiek. Twee fantastische wijven. Ze heeft er veel zin in. Het is al weer veel te lang geleden dat ze hebben bijgepraat. Ze kennen elkaar al bijna twintig jaar. Schoolvriendinnen.

Het water stroomt in stralen vanuit haar vrij hangende natte haar op haar billen. Ze wiegt langzaam haar heupen.

Plotseling overvalt haar een duizelig gevoel. Zij doet haar ogen wijd open en zoekt met haar vlakke hand steun aan de wand van de douche en probeert zich te focussen op de plant in de vensterbank, maar deze draait wild voor haar ogen rond. Haar hart bonst in haar keel en haar hoofdhuid gloeit en tintelt.  Ze zoekt steun met haar rug tegen de muur van de douche. Het douchekop sproeit het water voor haar langs op de zwarte vloertegels. Langzaam verdwijnt het gevoel weer en ze kan de voorwerpen in de badkamer weer helder zien. Ze heeft dit soort plotse duizelingen wel vaker gehad. De huisarts had gezegd dat het door haar licht verhoogde bloeddruk kwam.

Anna voelt zich weer goed. Geen duizeligheid meer. Ze pakt de tube douchegel, spuit wat van de inhoud op haar handpalm en smeert het op haar buik en borsten uit. Haar beide handen glijden over haar ottergladde lichaam. Een heerlijk gevoel. Terwijl ze gebukt haar bovenbenen inzeept voelt zij plots een intens pijnlijke steek diep in haar achterhoofd. Alsof met kracht een dun mes tussen haar schedel en halswervels gestoken wordt. Tegelijkertijd hoort ze in haar hoofd een harde knap alsof iemand vlak naast haar hoofd met zijn vingers knipt. Seconden lang. Zij geeft van schrik en pijn een ingehouden schreeuw en grijpt naar haar nek. Een ongekend heftige draaiduizeligheid bevangt haar en snijdende pijn dendert van binnen uit haar nek van achter naar voren door haar hoofd. De spieren in haar nek en rug verstijven. De draaiende voorwerpen in de badkamer worden egaal grijs voor haar ogen, vervolgens dieprood en uiteindelijk gitzwart. De pijn verdwijnt. Met een doffe dreun kwakt Anna op de natte badkamervloer. Haar slappe hoofd gaat rakelings langs de toiletpot. Haar linkerarm ligt vooruit gestrekt, haar romp wat weggedraaid van haar onderlichaam op haar zij. Haar rechterbeen ligt gebogen over haar gestrekte linkerbeen. De spieren verslapt. Het warme water klettert op haar billen en romp en vermengt zich op de badkamervloer met de heldere strogele urine die onwillekeurig uit haar blaas loopt. Zij kokhalst en braakt in twee golven rochelend de zojuist opgedronken thee vermengd met donkerbruine maaginhoud uit. Het stroomt traag met het water weg naar de afvoerput. Braaksel zakt langzaam vanuit haar halfopen mond op de badkamervloer en in haar haar.

Ondanks dat Ruben met zijn koptelefoon op naar muziek zit te luisteren hoort hij de dreun op de badkamervloer. Hij staat op en luistert onder aan de trap.

‘Gaat het goed, mam?’

Geen reactie.

‘Mam…..gaat het goed?’

Hij hoort het water op de badkamervloer kletteren. Ze zal het wel niet horen door het water op haar hoofd denkt hij. Hij gaat weer terug naar de huiskamer, zet zijn koptelefoon weer op en luistert verder naar zijn muziek.

Het klopt niet. Na ongeveer een kwartier zet hij zijn koptelefoon weer af en gaat weer onder aan de trap staan luisteren. Hij hoort het water op de vloer kletteren en verder niets. Zijn moeder doucht nooit zo lang.

‘Mam!’

Geen reactie. Hij hoort alleen het water stromen.

Donderdag 14 april, 16:50

Ruben rent de trap. De deur van de badkamer staat halfopen. Stoom van het warme water stroomt door de opening naar de overloop. Hij kijkt in de slaapkamer van zijn ouders. Op hun bed ligt het zwarte gebloemde jurkje en op grond de spijkerbroek en het T-shirt. De deur van de kledingkast staat open.

‘Mam,’ roept hij bij de halfopen deur van de badkamer. De geur van zijn moeders douchegel. Hij duwt de deur verder open en ziet zijn moeder bewegingloos op de badkamervloer liggen.

‘Shit. Mam, wat is er?’.

Hij hurkt naast zijn moeder en schudt aan haar schouder.

‘Mam, …mam, …wat is er?’

Het slappe hoofd van Anna rolt wat om. Ruben kijkt in het expressieloze gezicht van zijn moeder, haar ogen staan half open. Haar mond hangt slap open.  Bruin, zuur stinkend, braaksel op haar wang en in haar haar.

‘Godverdomme mam. Zeg wat,’ roept hij met trillende stem.

De rug van zijn T-shirt is doorweekt van het water dat gestaag uit de douchekop blijft stromen. Het loopt aan de achterkant zijn broek in. Hij staat op, kijkt verward zoekend om zich heen en draait de douchekraan dicht. Zijn gezicht en borst staan kortdurend vol in de straal en doorweken zijn T-shirt nu ook aan de voorkant. Met vlakke hand strijkt hij zijn natte haar naar achteren.

Anna heeft een diepe snurkende ademhaling. Braaksel rochelt achter in haar keel.

‘Verdomme, dit is niet goed, …dit is echt niet goed,’ roept hij in paniek.

Hij pakt zijn mobiele telefoon uit zijn zak en drukt met bevende vingers 112 in.

‘112 alarmcentrale. Wilt u brandweer, politie of een ambulance?’

‘Een ambulance,’ zegt Ruben.

‘Wat is uw adres?’

‘Kruislaan 33 in Zwijndrecht. Mijn moeder…die die ligt op de badkamervloer…en ze reageert niet …en ze snurkt…en ze heeft gebraakt.’

‘Blijf aan de telefoon, ik verbind u door met de regionale meldkamer.’

‘Meldkamer ambulance. Wat is uw naam?’

‘Ruben Frederiks. Er…er…moet hulp komen.’

‘Uw adres is Kruislaan 33 in Zwijndrecht?’

‘Dat heb ik toch al gezegd.’

‘Ben je nu thuis Ruben?’

‘Ja.’

‘Ben je alleen thuis Ruben?’

‘Ja.’

‘Hoe oud ben je Ruben?’

‘Zeventien.’

‘Hoe oud is je moeder Ruben?’

‘Zevenendertig of achtendertig geloof ik.’

‘Is je moeder wakker?’

‘Nee, dat zei ik, ze reageert nergens op,’ zegt Ruben geïrriteerd.

‘Ruben, kan je aan haar pols voelen?’

Ruben bukt en voelt met zijn linker wijsvinger aan de pols van Anna en voelt een krachtige snelle hartslag.

‘Haar hart klopt. Heel snel.’

‘Dat is goed.’

‘De ambulance is onderweg.’

‘Hebben jullie een hond?’

‘Nee. Waarom?,’ vraagt Ruben

‘Die had je moeten opsluiten zodat de ambulance-mensen niet worden  gehinderd.’

‘Gaat mijn moeder dood mevrouw? Wat is er verdomme aan de hand? Wat heeft ze?’

‘De ambulance zal met een puur minuten bij jullie zijn,’ zegt de vrouw de vraag omzeilend, ‘Kan je zo de voordeur van jullie huis openzetten, zodat de ambulancemensen zo naar binnen kunnen?’

‘Dat zal ik doen.’

‘Ademt ze?’

‘Heel snel.’

‘Blijf maar bij haar tot de ambulancemensen zijn gearriveerd.’

Donderdag 14 april, 17:05

Ruben hoort de sirene van de ambulance en rent de trap af naar beneden. Voor het huis stopt een ambulance. Ook een Volvo XC90 in gele ambulancekleur. ‘AMBULANCE Mobiel Medisch team’ staat op de deur van de Volvo.

Een man en een vrouw in een fluorescerend uniform in gele, groene en blauwe kleur springen uit de ambulance. Uit de Volvo komen twee vrouwen in een oranje-grijze jas en broek. De achterklep van de Volvo zwaait traag open. Zij pakken twee grote blauwe rugzakken van achter uit de auto en zwaaien deze, alsof van te voren afgesproken, gelijktijdig met een van de schouderbanden om hun schouders. Zij rennen het tuinpad op en gaan door de openstaande deur het huis binnen.

‘Jouw moeder is gevallen in de badkamer?,’ vraagt een van de vrouwen aan Ruben die in de deuropening staat.

Ruben knikt.

‘En ze reageert nergens op, en ze heeft gebraakt,’ zegt hij.

‘Waar is de badkamer?,’ vraagt de man kortaf aan Ruben.

‘Boven, de trap op.’

De man blijft onder aan de trap staan en laat de drie vrouwen voorgaan. Zij haasten zich, twee treden tegelijk, naar boven. De man gaat vervolgens rustig achter hen de trap op. Ruben volgt hem.

‘Hier links,’ roept Ruben naar boven, maar de twee vrouwen met de oranje jassen zijn al in de badkamer. Een van hen bukt bij Anna, roept haar aan en schudt aan haar schouder. Op de rug van haar stugge jas, die bij elke beweging een scheurend geluid maakt, staat op een groot opgenaaid label de tekst ‘MMT arts’. De rugzak heeft zij in de douchruimte tegen de muur gezet.

Anna geeft geen enkele reactie. De arts kijkt in Anna’s mond, veegt wat braaksel weg en observeert de ademhaling. Zij heeft lichtblauwe latex handschoenen aan.

‘Ademweg vrij. Spontane snelle ademhaling.’

Zij voelt met de toppen van haar wijs-en middelvinger naar Anna’s halsslagader.

‘Tachycardie, ongeveer 110,’ zegt zij zonder op of om te kijken.

De andere vrouw in oranje uniform wringt zich zijwaarts tussen de MMT-arts en  de zwartgranieten wasbak door en gaat met een elegante vloeiende beweging op haar onderbenen naast Anna zitten. Zij heeft de rugzak op de deksel van de toiletpot gezet. Een zelfde opgenaaid label is op de rug van haar jas genaaid. Alleen op deze staat ‘MMT verpleegkundige’.

De arts trekt de bovenste oogleden van Anna omhoog en schijnt met een zaklampje in de pupillen.

‘Niet reactief, 7 mm, beiderzijds.’

Zij pakt een ballpoint uit een van haar borstzakken en zet deze dwars op de zwartgelakte nagel van de middelvinger van Anna. Vervolgens drukt zij met kracht op de pen. De arm van Anna strekt met een felle schok, haar hand draait in haar pols naar buiten.

‘E1, M2, V1,’ zegt de arts.

De betekenis van alle medische termen en handelingen ontgaat Ruben volkomen, maar gevoelsmatig weet hij dat het niet goed is met zijn moeder. Het is een bizarre aanblik, zijn moeder nat, naakt en bewusteloos op de badkamervloer en de drie vrouwen in fluorescerende uniformen.

De vrouw in het gele uniform heeft een hartmonitor naast de toiletpot op de badkamervloer gezet. Met de eerder door Anna klaargelegde handdoek droogt zij Anna’s borst en armen af. Boven Anna’s beide borsten en onder haar linker borst plakt zij plakkers om de hartbewakingskabels op aan te sluiten. Om haar linker bovenarm doet zij een band voor de bloeddruk te meten. Op Anna’s wijsvinger zet ze een grijze kunststof knijper met een rood lichtje die met een grijze kabel naar de kleine monitor gaat. Hiermee kan zij de zuurstofverzadiging in het bloed meten. 89%.

‘Weet je al een bloeddruk?,’ vraagt de arts zonder op te kijken.

‘230/125. Pols 118. Saturatie negenentachtig procent,’ zegt de verpleegkundige.

‘Ik ga haar intuberen want de ademhaling wordt insufficiënter, ze is diep comateus en ze kan braaksel aspireren,’ zegt de MMT-arts.

Inmiddels heeft de MMT-verpleegkundige een infuusnaald in Anna’s arm ingebracht.

‘Hoeveel kilo schat je haar?,’ vraagt de MMT-arts aan de verpleegkundige.

‘Slanke vrouw. Ik schat zo 65-70 kilo.’

‘Dat denk ik ook.’

‘Zullen we haar iets opschuiven, zodat ik haar gemakkelijker kan intuberen.’

Zij verschuiven Anna op de natte tegelvloer waardoor er meer ruimte tussen haar hoofd en de toiletpot is. De arts gaat op haar onderbenen achter Anna’s hoofd zitten. Strekt haar rug.

De MMT-verpleegkundige ritst de rugzak open, pakt een beademingstube en laryngoscoop en geeft deze aan de arts. De arts legt ze naast Anna’s hoofd op de badkamervloer en pakt een aantal gevulde injectiespuiten uit haar jaszak. Op elke spuit zit een sticker. Zij spreid ze uit op haar handpalm en pakt een spuit waar ‘100 milligram Succinyl’, een spuit waar ‘50 milligram Dormicum’ en een spuit waar ‘0,2 milligram Fentanyl’ op staat.

De MMT-verpleegkundige plaatst de kap van de beademingsballon over neus en mond van Anna, trekt met de toppen van haar vingers haar onderkaak iets naar voren en knijpt met rustige regelmaat in de ballon.

‘Ik geef haar 15 milligram Dormicum, 0,2 milligram Fentanyl en 70 milligram Succinyl,’ zegt zij tegen MMT-verpleegkundige en injecteert de vloeistofen in de infuusnaald in Anna’s arm. Binnen luttele seconden stopt Anna met ademhalen. De verpleegkundige beademt Anna rustig door met de beademingsballon. De arts klapt de laryngoscoop uit.

‘Zullen we?,’ zegt ze tegen de verpleegkundige. De verpleegkundige haalt de kap van Anna’s gezicht. De arts legt haar linker hand onder Anna’s nek en brengt voorzichtig het metalen blad van de laryngoscoop in de mond van Anna. Het metaal schuurt hoorbaar langs haar tanden.

‘De medicatie heeft geen invloed op de bloeddruk gehad,’ zegt de verpleegkundige.

Ruben staat in deuropening van de badkamer.

De ambulancechauffeur probeert hem aan zijn arm naar de overloop te trekken.

‘Kom maar hier staan. Laat hen je moeder maar helpen,’ zegt hij tegen Ruben, maar Ruben verzet zich en doet een stap de badkamer in.

‘Wat heeft mijn moeder?,’ roept Ruben terwijl hij alle handelingen van de arts volgend. Zijn gezicht inwit. Trillende benen.

‘Wat heeft mijn moeder? Kan iemand mij iets zeggen?’

De vrouwelijke verpleegkundige kijkt hem aan en zegt: ‘Ik denk dat je moeder een hersenbloeding heeft gehad. De arts gaat nu een buisje in haar luchtpijp inbrengen zodat zij makkelijker kan ademhalen.’

De verpleegkundige legt haar hand op de schouder van Ruben.

‘Is je vader op zijn werk?,’ vraagt ze.

‘Hij is advocaat en komt vanavond pas laat thuis.’

‘Ik denk dat het goed is dat je hem zo gaat bellen en vertelt dat je moeder naar het ziekenhuis wordt gebracht en dat hij daar ook zo snel mogelijk naartoe moet komen.’

‘Gebruikt je moeder medicijnen?,’ vraagt zij aan Ruben.

‘Nee, helemaal niets. Ze is hartstikke gezond. Ze is nooit ziek.’

Inmiddels heeft de arts zonder problemen de beademingsbuis in de luchtpijp van Anna ingebracht. De MMT-verpleegkundige sluit deze aan op de beademingsballon en knijpt met vaste regelmaat lucht in de longen van Anna.  Anna’s soepele borstkas gaat rustig op en neer. De MMT-arts brengt vervolgens een lange dunne plastic katheter via Anna’s neus in haar maag en plakt de slang met bruine pleister vast aan Anna’s neus.

De ambulancechauffeur heeft inmiddels de brancard uit de ambulance opgehaald. Omdat op de overloop ruimte genoeg is en de trap naar boven recht is kan hij deze mee naar boven nemen. Hij zet deze klaar op de overloop bij de badkamer.

‘Kom, nu snel naar het ziekenhuis,’ zegt de MMT-arts.

‘Ik heb gebeld naar het academisch ziekenhuis dat we eraan komen,’ zegt de ambulancechauffeur.

‘Perfect,’ zegt de arts.

De MMT-arts, MMT-verpleegkundige en de ambulanceverpleegkundige tillen Anna van de badkamervloer op en leggen haar slappe lichaam op de brancard. Zij vouwen het laken om haar heen en fixeren haar met drie riemen aan de brancard.

De ambulanceverpleegkundige en de chauffeur dragen de brancard van de trap af. De MMT-arts beademt Anna’s longen met de beademingsballon. Op het tuinpad zetten zij de brancard vast op het verrijdbare onderstel.

Ruben staat verbijsterd vanuit de gang naar het gebeuren te kijken. Een uur geleden zat hij met zijn moeder thee te drinken en lol te maken en nu ligt zij bewusteloos op een brancard en moet ze naar het ziekenhuis worden gebracht.

‘Kom maar gelijk met ons mee in de ambulance,’ zegt de MMT-verpleegkundige tegen Ruben, ‘Onderweg kan je jouw vader bellen.’

In de huiskamer trekt Ruben snel zijn sneakers en rode sweater aan, doet zijn sleutelbos in zijn zak, en is met een paar stappen weer in de gang. De voordeur staat wijd open. Hij trekt deze met een ruk achter zich dicht en rent naar de ambulance.

‘Kom maar voorin naast mij zitten,’ zegt de chauffeur tegen Ruben. De MMT-arts en de ambulanceverpleegkundige gaan achterin bij Anna zitten. De MMT-verpleegkundige zet de rugzakken achterin de Volvo, stapt in en rijdt weg.

Aan het einde van de straat zet de ambulancechauffeur de sirene en het zwaailicht aan. Ruben krimpt in elkaar van het harde geluid. Hij zegt niets. Hij kan even niet meer helder denken.

Met hoge snelheid rijdt de chauffeur de ambulance door de middagspits. Automobilisten gaan aan de kant wanneer zij de sirene horen en de blauwe zwaailichten zien.

Ruben belt het mobiele nummer van zijn vader, maar krijgt de voicemail.

‘Pa, bel me zo snel mogelijk terug. Het is niet goed met mam. Ze wordt naar het ziekenhuis gebracht. Ik zit nu in de ambulance.’

Op de display ziet hij vijf  berichtjes op zijn WhatsApp. Hij opent ze.

‘He, gozer, kom je vanavond ff chillen bij Bob?’

‘Neem je wel even een treetje mee.’

‘Daphne komt ook, zal je leuk vinden (zij ook!!).’

‘Wel komen hè gozer.’

‘Reageer ff.’

Ruben drukt WhatsApp uit en blijft met zijn mobiele telefoon in zijn hand voor zich uit staren door de voorruit van de ambulance.

Ineens het bord ‘Spoedeisende hulp’. De ambulance stopt voor de ingang.

De chauffeur stapt uit, loopt om de ambulance heen, opent de rechterportier en zegt tegen Ruben: ‘Kom maar met ons mee.’

Hij opent de achterdeuren van de ambulance en samen met de verpleegkundige rijdt hij de brancard naar binnen. De MMT-arts loopt naast de brancard mee. Ruben loopt achter hen aan.

Donderdag 14 april, 17:34

Een slanke verpleegkundige met ravenzwart haar en helderblauwe ogen brengt Ruben naar een wachtkamer.

‘Wil je wat drinken?’

‘Wat water graag,’ zegt Ruben en kijkt de jonge vrouw wazig aan.

Zij geeft Ruben een plastic bekertje water en gaat naast hem zitten.

‘Was je erbij toen het gebeurde met je moeder.’

‘Nee, ik zat beneden. Ze wilde even gaan douchen. We hadden net samen thee gedronken. Ze zou met twee vriendinnen uit eten gaan. En toen, toen hoorde ik, geloof ik, een dreun op de vloer. Ik heb toen geroepen naar boven of het goed ging, maar ze reageerde niet. Maar ik hoorde de douche lopen, ik dacht dat ze het niet hoorde. Met water op je hoofd hoor je niet goed. Maar na een tijdje ben ik gaan kijken, want normaal doucht ze nooit zo lang. En toen, …toen lag ze daar, ze leek wel dood. Ze was helemaal bleek en slap, ze had gebraakt en reageerde helemaal nergens niet. Haar ogen waren half open. Ze had echt een wezenloze blik. Ik heb toen gelijk 112 gebeld. Heb ik het wel goed gedaan? Heb ik niet te lang gewacht? Had ik eerder naar boven moeten gaan?’

‘Je hebt het hartstikke goed gedaan,’ zegt de verpleegkundige tegen Ruben en klopt hem op zijn bovenbeen.

Ruben voelt zijn mobiele telefoon in zijn zak trillen.

‘Dat zal mijn vader zijn,’ zegt hij verontschuldigend en pakt de telefoon uit zijn zak.

‘Pa, ik ben in het ziekenhuis. Mam is in de douche gevallen en is bewusteloos. Ik heb toen 112 gebeld en is zij met de ambulance naar het academisch ziekenhuis gebracht. Je moet gelijk komen. Ze heeft misschien een hersenbloeding zegt de dokter. Het gaat helemaal niet goed.’

‘Waar ben je in het ziekenhuis?,’ vraagt Peter.

‘Op de spoedeisende hulp.’

‘Ik kom gelijk,’ zegt Peter en verbreekt abrupt de verbinding.

Kort daarna wordt Ruben weer gebeld. Het is Bob. Ruben neemt op.

‘Hè gozer, kom je zo?,’ zegt Bob enthousiast.

‘Ik kan niet komen. Ik ben in het ziekenhuis. Mijn moeder is niet goed geworden.’

‘Is het erg, of kom je later een biertje pakken,’ vraagt Bob.

‘Weet niet, je ziet wel,’ zegt Ruben kortaf en verbreekt de verbinding.

De ambulance verpleegkundige en de chauffeur rijden de brancard in de spoedkamer binnen. De MMT-arts draagt met luide stem, kort en bondig, over aan de artsen en verpleegkundigen van de spoedeisende hulp: ‘Jonge vrouw. Plotse collaps onder de douche. Vanwege insufficiënte ademhaling, coma en aspiratiegevaar heb ik haar geïntubeerd. Ademt wel zelfstandig. Voor de intubatie 70 mgr Succinyl, 15 mgr Dormicum en 0,2 mgr Fentanyl gegeven. Pols ongeveer 120. Bloeddruk 230/125. EMV 4, wijde niet op licht reagerende pupillen. Zoon van zeventien is meegekomen. Echtgenoot is gebeld. Volgens zoon geen medicatie. Volgens hem altijd gezond geweest.’

Donderdag 14 april, 17:40

‘Ik hou de tube wel vast,’ zegt Esther van der Wal, een ervaren, 45-jarige, anesthesist tegen de jongere spoedeisende hulp arts. Esther heeft honderden geïntubeerde patiënten vanaf de ambulance brancard op het bed in de spoedkamer over getild. Zij weet dat de beademingsbuis tijdens dat overtillen uit de luchtpijp kan raken, waardoor een plotse crisissituatie kan ontstaan. Bij de opvang van geïntubeerde en beademde patiënten is altijd een anesthesist aanwezig. Een goede regel. Anesthesisten hebben de naam alleen te komen als de nood echt aan de man is, het probleem op te lossen en dan weer te gaan. Esther probeert altijd meer te zijn dan alleen iemand die bedreven is naalden en buizen in lichamen te steken, de pijn te stillen en gas te geven. Zij blijft ook na de acute handelingen vaak nog wel hangen om te zien hoe het de patiënt verder verloopt. Comateuze patiënten lijken makkelijke patiënten voor de anesthesisten. Ze kermen niet, geen pijn, je hoeft ze niets uit te leggen voordat je ergens een naald of katheter in steekt. Schijn bedriegt. Juist omdat ze niets zeggen en niet kermen kan je acute verslechtering over het hoofd zien. Je moet een goede klinische blik hebben en snel verbanden kunnen leggen om niets te missen. Esther is daar een kei in. De verpleegkundigen van de spoedeisende hulp zijn daarom blij als zij dienst heeft.

‘Eén…twee…drie,’ zegt Esther rustig. In een vloeiende beweging tillen de verpleegkundigen Anna met het onder haar liggende laken over op het bed. Haar linker arm glijdt slap opzij.

Anna ligt in al haar perfecte naaktheid in het felle licht van de lamp boven het bed.

Een verpleegkundige dekt haar af met een laken en een deken.

‘Ze ruikt lekker,’ merkt zij op terwijl zij de infuusnaald in Anna’s arm opnieuw vastplakt.

‘Ze is onder de douche gecollabeerd. Dan ruik je lekker,’ zegt Esther.

‘Tenzij je jezelf niet hebt ingezeept,’ zegt de verpleegkundige droogjes zonder op te kijken.

‘Dat braaksel in haar haar ruikt overigens niet zo fijntjes,’ merkt een andere verpleegkundige op die dicht bij Anna’s hoofd staat.

‘Is de neuroloog er al?’

‘Ik ben er,’ zegt een man die op dat moment gehaast de spoedkamer komt binnenlopen. Een veertiger, volle goed getrimde grijs-rossige baard, achterover gekamd donker haar, kleine goudkleurige bril.

‘Wil je haar eerst onderzoeken?, vraagt Esther.

‘Graag. Ik heb ook een andere patiënt die ik zo moet zien,’ zegt hij gehaast en stapt naar het bed. Hij geeft Esther en de spoedeisende hulp arts een wat slappe hand. Zegt twee maal ‘Jeroen Sleevliet’ zonder de twee vrouwen aan te kijken en richt zich volledig op Anna.

‘Gecollabeerd onder de douche. Geen tekenen of verhaal van een intoxicatie,’ mompelt hij tegen zichzelf. Hij onderzoekt de comateuze Anna met geroutineerde directheid. Met zijn duim trekt hij het ooglid van Anna’s rechter oog omhoog en schijnt met een pen-light in de pupil. Hij herhaalt dit bij het linker oog. Vervolgens pakt hij een reflexhamer uit zijn jaszak en test de reflexen aan haar armen en benen. Met de steel van de reflexhamer drukt hij hard op haar nagelbed. Anna strekt haar arm abrupt.

‘Heeft ze sedatie of spierverslappers gehad?,’ vraagt hij zonder op het kijken van het lichaam van Anna.

‘Niet van ons. De MMT-arts heeft haar Succinyl, Dormicum en Fentanyl gegeven voorafgaande aan de intubatie. Nu zo’n drie kwartier geleden. That’s all,’ zegt Esther.

‘Zo kan ik haar niet echt betrouwbaar testen,’ moppert de neuroloog binnensmonds en steekt zijn reflexhamer weer in de zak van zijn jas. Neurologen lijken onthand als zij niet met hun reflexhamer op pezen kunnen slaan, met wattenstaafjes en spelden gevoel kunnen testen of de patiënt opdrachtjes kunnen laten uitvoeren. Aan zo’n comateuze en dan ook nog eens gesedeerde patiënt valt niet veel eer te halen.  Je stelt vast dat deze comateus is, laat een scan maken om uit te zoeken wat de oorzaak van het coma is, stelt een diagnose en denkt na over een eventuele behandeling. Meestal allemaal recht-toe-recht-aan. Weinig verheffend. Weinig diagnostische puzzels of uitdagingen.

‘Anyway, ze lijkt mij ondanks de medicatie wel erg diep comateus. Intracerebrale bloeding of een massale SAB lijkt mij het meest waarschijnlijke, gezien leeftijd, het verhaal en de kliniek. Kan ook wel een groot herseninfarct zijn, maar het coma is in zo’n geval niet zo diep. Laten we maar snel een CT-scan maken, daarna weten we het zeker,’ zegt hij tegen de spoed-eisende-hulp arts, ‘Ik zal de radioloog bellen dat jullie er aan komen.’

Hij noteert zijn bevindingen in het elektronisch patiëntendossier.

‘Jullie hebben mij nu niet meer nodig, neem ik aan. Ik loop zo wel naar de CT kamer. Ik ga eerst even naar die andere patiënt kijken. Ik zal daarna wel met de familie van mevrouw Frederiks praten over de uitslag van de CT-scan.’

Hij verlaat de spoedkamer.

‘Mannetje!,’ mompelt Esther.

‘Zullen we voordat we naar de CT gaan even snel een arteriële lijn inbrengen?,’ zegt zij vervolgens tegen een van de verpleegkundigen.

‘Ik wil eerst even de urinekatheter inbrengen. Vraag Anja even je te helpen.’

Donderdag 14 april, 18:07

De deur van de wachtkamer gaat open en Peter komt hijgend binnen.  Zijn voorhoofd glimt van het zweet. Zijn overhemd hangt aan de voorkant aan een kant uit zijn broek. Hij heeft zijn colbert verfrommeld in zijn hand.

‘Ruben, jongen,’ zegt hij en trekt hem tegen zich aan en zoent hem in zijn hals.

‘Waar is Anna? Kan ik haar zien?’. Hij gooit zijn colbert op de bank.

‘De dokters zijn haar aan het onderzoeken, geloof ik,’ zegt Ruben.

Onrustig kijkt Peter om zich heen, doet de deur van de wachtkamer weer open en kijkt de gang in.

‘Vertel eens. Wat is er nu precies gebeurd,’ vraagt Peter aan Ruben nadat hij op de rand is gaan zitten op een van de banken in de wachtkamer.

Ruben vertelt de hele verhaal. Peter wordt steeds onrustiger. Hij wil controle, zekerheid, grip krijgen. Het bevalt hem niets dat hij niet weet hoe het met zijn lief is. Hij staat op, gaat de wachtkamer uit en vraagt aan een verpleegkundige die achter de balie zit wanneer ze meer te horen krijgen over Anna.

‘De neuroloog komt zo naar u toe, ze zijn nu een scan van haar hoofd aan het maken‘ zegt zij.

Donderdag 14 april, 18:10

‘Ik begrijp nu wel dat zij vanaf het begin diep comateus is en niet op licht reagerende pupillen heeft,’ zegt Jeroen Sleevliet tegen de radioloog, ‘Dat moet wel een bloeding uit een aneurysma in de achterste schedelgroeve zijn geweest. Wat denk jij?’

Dokter Sleevliet staat voorover gebukt achter de radioloog die op een computerscherm naar de CT-scan beelden van Anna’s hersenen zit te kijken. Hij wijst met zijn wijsvinger op een witte vlek op het beeldscherm, ‘Ook bloed in het derde ventrikel, zie je?’

‘Een basilaris-top aneurysma zou heel goed kunnen, maar als je dat zeker wil weten moet je later een CT-angiografie maken,’ zegt de radioloog zonder van het beeldscherm op te kijken, ‘Maar ik zou haar eerst maar op de IC stabiliseren en kijken hoe het verder verloopt. Ik zie nu geen indicatie voor een direct ingrijpen. Voor het behandelen van een aneurysma is zij klinisch nu veel te slecht.’

‘Inderdaad. Ik ga eerst maar eens met de familie praten.’

‘Ga je mee?’, zegt dokter Sleevliet tegen de arts-assistent die tegen de deurpost van de verslagkamer staat geleund.

Donderdag 14 april, 18:30

‘Goedenavond. Jullie zijn de echtgenoot en zoon van mevrouw Frederiks?’

Peter knikt, staat op en geeft de bebaarde arts een hand.

‘Ik ben dokter Sleevliet. Ik ben de neuroloog die dienst heeft vanavond en dit is dokter Van Buuren, zij is neuroloog in opleiding. Hij wijst naar de jonge vrouw met lang blond haar in een gevlochten staart die achter hem aan de wachtkamer is binnengekomen. Dokter Van Buuren knikt naar Peter en glimlacht kort. Peter stapt op haar af en geeft haar ook een hand.

Peter gaat weer op de bank naast Ruben zitten en legt zijn arm over zijn schouders.

De artsen gaan tegenover Peter en Ruben zitten.

‘Wij hadden, op basis van wat er vanmiddag thuis in de badkamer gebeurd is, het vermoeden dat uw vrouw een hersenbloeding had doorgemaakt en daarom hebben we een CT-scan gemaakt van haar hersenen. Hierop zagen we dat zij inderdaad een bloeding rond haar hersenen heeft gehad die waarschijnlijk ontstaan is uit een zwakke plek, een soort uitstulping, aan een slagader aan de onderkant van haar hersenen. Hierdoor is er bloed rondom haar hersenen gekomen. Op de scan zagen we dat er veel bloed rondom haar hersenen is en ook in één van de hersenholtes. Ook is er bloed bij de hersenstam….Dat is levensbedreigend… Ze is nu diep in coma en is niet te wekken. We gaan haar zo opnemen op de intensive care afdeling waar we haar optimaal kunnen bewaken en behandelen. Omdat zij zelf onvoldoende adem haalt hebben we haar ademhaling met een beademingsmachine moeten overnemen. De dokters en verpleegkundigen op de intensive care zullen u daarover alles uitleggen.’

De arts zwijgt en kijkt Peter en Ruben vragend aan.

‘Hij heeft dezelfde stem als meneer Groen, zijn scheikunde leraar,’ denkt Ruben. Ruben heeft een gruwelijke hekel aan meneer Groen.

‘Begrijpt u dat de situatie heel ernstig en levensbedreigend, is?’

‘Wanneer kunnen wij haar zien?,’ vraagt Peter de vraag ontwijkend.

‘De verpleegkundige zal jullie zo naar de intensive care brengen,’ zegt de neuroloog.

‘Maar, begrijpt u dat het heel ernstig is?,’ vraagt hij nog eens nadrukkelijk.

‘Gaat mijn moeder dood?’ vraagt Ruben aan de neuroloog. Hij veegt met de rug van zijn hand over zijn wang.

De arts probeert in te schatten wat hij moet antwoorden. Peter kijkt zijn zoon verbijsterd aan.

‘Dat weten we nu echt niet. Het is wel heel ernstig met je moeder. We moeten afwachten hoe de komende uren en dagen gaan verlopen,’ zegt de vrouwelijke arts.

Peter kijkt haar ongelovig aan. ‘…heel ernstig …heel ernstig…’ dreunt het door zijn hoofd. Het is heel ernstig met Anna. Levensbedreigend zelfs. Verdomme. Zijn lief, de liefde van zijn leven, zijn mooie wijf, zijn maatje,…in een levensbedreigende situatie. Ze gaat misschien wel dood. Dat kan echt niet. Dit gebeurt niet. Dit is Kafkaësk. Dit wil ik niet. Ik wil de tijd terugdraaien. Ik wil haar beschermen.

De artsen en Peter en Ruben zitten zwijgend tegenover elkaar.

Na enige minuten staan de artsen op.

Dokter Sneevliet steekt zijn hand uit naar Peter.

‘Veel sterkte,’ zegt hij.

Peter kijkt verdwaasd naar de hand van arts en knikt zonder de arts aan te kijken en geeft hem een hand. Ook dokter Van Buuren geeft Peter en Ruben een hand.

Zij kijkt bij het verlaten van de wachtkamer een keer achterom naar Peter en Ruben.

‘Arme mensen, ze gaan haar verliezen,’ denkt zij.

Zwijgend staan Peter en Ruben samen met de verpleegkundige van de spoedeisende hulp in de lift naar de negende verdieping, waar de intensive care afdeling is. Zij zal hen naar de wachtkamer van de IC brengen. Ruben leest de tekst op de identiteitskaart die met een metalen clip aan haar uniform is bevestigd. ‘Annemarie de Bruine. Senior SEH-verpleegkundige’ staat erop. Er is een kleine pasfoto waarop Annemarie hartelijk lacht boven de tekst. Op de foto heeft zij geen bril op. Nu wel, valt Ruben op. Mooie meid. Goede geur.

Op de vierde etage stopt de lift. De deur schuift langzaam en hortend open. Een zwaar ademende man van ongeveer 45 jaar met een veel te dikke buik stapt de lift in. In zijn ene hand heeft hij een grote oranje boodschappentas. In de andere hand een groen lint waaraan een met helium gevuld knalrood hart waarop de tekst ‘Beterschap’ staat.  Het hart blijft hangen achter de bovenrand van de liftdeur. Met een kort rukje trekt hij hem de lift binnen en lacht verontschuldigend naar Peter, Ruben en de verpleegkundige.

‘Ik ga naar mijn zus. Ze is gisteren geopereerd,’ zegt hij ongevraagd.

Hij heeft een doordringende stank van sigarettenrook om zich heen hangen.

Peter glimlacht zwijgend naar de man.

‘Wacht u maar hier, ik zal tegen de verpleegkundigen van de IC zeggen dat jullie hier zijn. Ze komen jullie hier ophalen,’ zegt Annemarie en kijkt Peter en Ruben met haar lichtblauwe ogen medelijdend aan.

‘Veel sterkte verder, de verpleegkundigen van de IC zullen het nu verder overnemen,’ zegt zij en zij loopt snel de hal door, via de klapdeuren, de intensive care op. Ze heeft lichtblauwe New Balance schoenen aan, valt Ruben op. Mooi.

Donderdag 14 april, 18:59

‘Ik ben Gerard, één van de verpleegkundigen op de IC’. Gerard is lang, bijna twee meter, een dertiger, stevig van postuur met een twee-dagen-baard.

‘Komt u maar met mij mee,’ zegt hij tegen Peter en Ruben.

Peter probeert zijn gezicht ‘te lezen’. Hij kijkt ernstig. Niet goed. Ze lopen de intensive care op naar kamer 12. Gerard schuift de deur open en laat Peter en Ruben voorgaan de kamer in.

Anna ligt op haar rug in het intensive care bed. Uit haar mond steekt een doorzichtige plastic buis die aan het einde verbonden is met twee tuinslang-dikke geribbelde slangen die aangesloten zijn aan een beademingsmachine naast het bed. Uit haar neus komt een plastic slang die met bruine pleister is vastgeplakt. Haar ogen zijn gesloten en zij beweegt niet. Zij lijkt diep in slaap.  Regelmatige in- en uitademing van de beademingsmachine. In haar beide armen zijn infuusnaalden ingebracht waarop doorzichtige slangen zijn aangesloten. Haar handen met gestrekte vingers stil op het witte laken. Heldere infuusvloeistof druppelt via een pomp de slangen in. Ter hoogte van haar bovenbenen komt er een doorzichtige slang onder het laken vandaan die aangesloten is op een plastic opvangzak waarin heldergele urine zichtbaar is.

Peter legt bedachtzaam zijn hand op haar arm en zoent haar drie keer op haar voorhoofd. Haar voorhoofd gloeit van warmte. Klam.

‘Dag lief… Wat is dat nou met je?,’ fluistert hij, ‘Dag mijn meisje.’

‘Ze reageert helemaal niet,’ zegt Peter tegen Gerard.

‘Anna is diep in coma,’ zegt Gerard. Door zijn zware stem klinkt het als een onbetwistbaar oordeel. Een vonnis.

Ruben staat aan de andere kant van het bed en kijkt verbijsterd naar zijn ouders. Met een bruusk gebaar veegt hij ze met de rug van zijn hand over zijn gezicht. Hij ziet in gedachten het slappe naakte lichaam van zijn moeder weer op de badkamervloer liggen. De herinnering aan de machteloosheid. Zijn mobiele telefoon trilt hoorbaar in zijn zak. Hij negeert het.

Peter streelt Anna’s wangen en haar.

‘Lief,…kijk me eens aan,’ zegt hij met een hoorbare brok in zijn keel.

Hij legt zijn voorhoofd op de borst van Anna, zijn rechterhand op haar buik en zijn linkerhand  op de bovenkant van haar hoofd en laat zijn tranen de vrije loop. Ruben legt zijn hand op het hoofd van zijn vader en kijkt wezenloos naar het gezicht van zijn moeder.

De deur van de kamer gaat open. Sarah, de dochter van Anna en Peter. Zij is, na een telefoontje van Peter, door de buurman van het hockeyveld gehaald en naar het ziekenhuis gebracht. Hoewel ze eerst langs huis zijn geweest, heeft ze haar groengrijze hockeykleding aan. Onder haar oranje kniekousen zijn de scheenbeschermers duidelijk zichtbaar. In haar hand heeft ze een zwarte plastic tas met daarin haar spijkerbroek, sweater en schoenen. Deze laat ze bij de deur uit haar handen vallen en slaat haar armen bij Peter om zijn middel, kijkt opzij naar Anna’s gezicht en drukt haar wang tegen de borst van haar vader. Peter legt zijn handen op de  schouders van zijn dochter. Hij voelt haar lichaam trillen. Haar gezicht is warmnat van de tranen. Zij kijkt omhoog haar vader aan.

‘Wat is er met mamma gebeurd,’ vraagt zij met zachte stem.

Peter kijkt haar aan en schudt zijn hoofd en haalt zijn schouders op. Hij kan niets zeggen. Woorden stokken in zijn keel.

‘Anna heeft een hersenbloeding gehad,’ zegt Ruben.

Ze laat haar vader los en loopt van het bed weg. Met haar rug staat ze tegen de muur van de kamer en kijkt van afstand naar haar moeder en broer. Opnieuw lopen tranen uit haar rooddoorlopen ogen.

De telefoon van Peter gaat af. Op de display ziet hij dat het Emma is. Peter schuift de deur van de kamer open en stapt naar buiten de gang van de intensive care op.

‘Emma, met Peter,’ zegt hij met bedrukte stem.

‘Stoor ik je?, zegt Emma.

‘Nee hoor, zeg maar,’ zegt Peter.

‘Weet jij waar Anna is? Annemiek en ik zitten al een tijd op haar te wachten. Ondertussen hebben we al twee wijntjes op en beginnen onderhand wel wat trek te krijgen,’ zegt Emma vrolijk. Peter hoort rumoerig praten en lachen op de achtergrond.

Peter slikt en haalt diep adem. Er is geen gemakkelijke manier om het verschrikkelijke mede te delen.

‘Anna heeft vanmiddag een ernstige hersenbloeding gehad. Ze ligt in coma op de intensive care van het academisch ziekenhuis. Het is heel ernstig.’

Het is stil aan de andere kant van de telefoon.

‘Ben je er nog Emma?,’ vraagt Peter.

‘Maar, …maar hoe kan dat nou. Ze is hartstikke gezond. Komt het weer goed?’

‘Ik weet het niet,’ zegt Peter, ‘Ik weet het echt niet. Verdomme. Het leven is ineens zo betrekkelijk, zo kwetsbaar, zo tijdelijk.’

Emma zwijgt. Peter staat met zijn rug tegen de witte betegelde muur. Zijn telefoon tegen zijn oor. Ook hij zwijgt. Met samengeknepen ogen staart hij naar het plafond.

‘Moeten we komen?,’ vraagt Emma snikkend na een paar minuten.

‘Nee, wacht maar. Ik zal je wel bellen als er verandering is. Samen met Ruben en Sarah blijf ik komende nacht in het ziekenhuis.’

Vrijdag 15 april, 07:45

In de overdrachtsruimte van de intensive care druppelen de artsen en onderzoekers binnen. De arts-assistent die nachtdienst heeft gehad kijkt op de wandklok.

‘Oké, het is kwart voor acht. De overdracht van negen-zuid. Op bed 1 ligt nog steeds mevrouw Van Diepen, 59 jaar. Opgenomen met een abdominale sepsis. Multiorgaan falen. Gisteren weer koorts gekregen. Verder redelijk stabiel.’ De arts-assistent draagt de ziektegeschiedenissen en bijzonderheden van tien andere patiënten over voordat de arts over Anna vertelt:

‘Bed 12. Mevrouw Frederiks. 38 jaar. Gisteren in de namiddag gecollabeerd onder de douche. Massale subarachnoïdale bloeding. Ook bloed rond de hersenstam en in het derde ventrikel. Waarschijnlijk uit een basilaris-top aneurysma. E1, M2, V-tube. Pupillen niet reactief en wijd. Beiderzijds corneareflex. Heeft geaspireerd. Wordt beademd. Hoestreflex aanwezig. Sombere prognose volgens de neurologen. Geen indicatie tot snelle interventie. Haar man en twee kinderen zijn in huis,’ zegt de jonge arts zonder emotie in een soort monotoon staccato zonder van zijn A4tje op te kijken.

Gewend aan het aanhoren van de narigheid die mensen plotseling heeft getroffen, laten de aanwezige artsen en onderzoekers de informatie over zich heen komen. Elke ochtend is het immers weer een half uur durend relaas over doodzieke mensen die op het slechtste moment van hun leven zijn opgenomen op de intensive care. Soms een korte discussie over de behandeling of diagnose van een patiënt. Soms een knorrige intensivist die een assistent met kennis wil overrulen, maar meestal is alleen de overdragende arts-assistent aan het woord en worden er hooguit een paar inhoudelijke vragen gesteld. De meeste artsen van de dagdienst maken korte aantekeningen over de patiënten waar zij zorg voor gaan dragen. Eén van de stafleden checkt tijdens de overdracht altijd zijn email op zijn mobiele telefoon.

‘Kan je de CT-scan even laten zien?,’ vraagt de neuroloog-intensivist.

‘De fellow zoekt de beelden in het elektronisch patiëntendossier op. Op twee grote schermen tegen de achterwand van de overdrachtsruimte zijn de CT scanbeelden van Anna’s hersenen te zien.

‘Inderdaad veel bloed rond het brein. Ga eens een paar coupes naar beneden, naar de hersenstam,’ vraagt de neuroloog-intensivist.

‘Juist. Dat ziet er niet zo best uit.’

‘Zei je dat ze braaksel had geaspireerd? Laat dan even de thoraxfoto zien,’ zegt een oudere intensivist.

Op de twee projectieschermen verschijnt de röntgenfoto van Anna’s thorax.

‘Ziet er fraai uit. Schone longen. Mooi slank hart,’ zegt de fellow vragend. De oudere intensivist knikt.

Suzanne, die pas haar stage als arts-assistent op de intensive is begonnen, kijkt naar de röntgenfoto met het verhaal van de jonge vrouw in gedachten. ‘Hoe kan je nou zo afstandelijk over schone longen en een slank hart praten als de vrouw vrijwel zeker de bloeding niet zal overleven?,’ gaat het door haar gedachten.

‘Heb je al in het donorregister gekeken?,’ vraagt één van de andere intensivisten. Hij neemt een slok van zijn koffie en zit onderuitgezakt met zijn benen gestrekt over elkaar.

‘Nou nee. Een beetje te vroeg lijkt mij. Ze is immers niet hersendood,’ zegt de arts-assistent een beetje geïrriteerd. Het is duidelijk dat zij moe is na een lange en intensieve nachtdienst.

‘Is inderdaad wel een beetje te snel?,’ zegt de neuroloog-intensivist duidelijk geïrriteerd, ‘Laten we haar brein even de kans geven om te resetten. Het is weliswaar een serieuze bloeding, maar geen 24 uur oud.’ Hij pakt zijn bril van zijn gezicht en blaast een niet aanwezig pluisje van het glas.

De intensivist knikt zwijgend en gaat door met het leegdrinken van zijn plastic beker met koffie. Voor hem geen halszaak. Hij is sowieso nooit zo geïnteresseerd in ‘neuro-gevallen’.

‘Goed, …volgende,’ zegt de fellow van de afgelopen nacht die de vaart erin wil houden. Het is duidelijk dat hij naar huis en naar bed wil. De arts begint te vertellen over de patiënt in kamer 13 die al ruim drie weken op de intensive care ligt voor serieuze complicaties na een slokdarmoperatie. Het gaat maar niet vooruit met de oudere vrouw. De kanker is uit haar lichaam, maar het lukt haar maar niet zonder beademingsmachine te ademen, de nieren komen niet goed op gang en ze blijft erg verward. De kaarten lijken duidelijk geschud. De behandeling zal gestaakt worden. Vanmiddag een slechtnieuwsgesprek met de familie.

Vrijdag 15 april, 09:11

‘De ouders van Anna zijn gearriveerd’ zegt Ben, een van de oudere IC-verpleegkundigen tegen Peter, ‘Ze wachten op jullie in de familiekamer. Ik heb gezegd dat jullie naar hen toe zullen komen.’

Peter loopt naar de familiekamer en bedenkt hoe hij het slechte nieuws over Anna aan zijn schoonouders zal brengen. Hij staat stil voor de deur van de familiekamer, de kruk van de deur in zijn hand.

Hij neemt een diepe teug lucht en opent de deur van de kamer. Anna’s moeder loopt direct naar hem toe en legt haar arm over zijn schouder en geeft hem een zoen op zijn wang. Ze kijkt haar schoonzoon toetsend aan. Zij ziet direct zijn leed en zorg.

Peter neemt een diepe zucht en zegt, ‘Het is heel ernstig met Anna…, een grote hersenbloeding. Het is volgens de artsen levensbedreigend. Zij is in coma, reageert nergens op. Het is onduidelijk of ze dit zal overleven.’

Anna’s moeder slaat haar hand voor haar mond en kijkt met wijd open ogen naar Peter.

‘Ach die arme kinderen, …haar arme kinderen’ zegt zij snikkend.

De deur van de familiekamer gaat open. Ruben en Sarah.

Anna’s vader staat op en loopt naar Ruben. Hij weet niets tegen hem te zeggen.

Sarah gaat naar haar oma en slaat haar armen om haar middel. Zij drukt haar hoofd tegen haar borst.

‘Mijn meisje, mijn meisje,’ mompelt Anna’s moeder terwijl zij over het haar Sarah streelt.

Vrijdag 15 april, 16:22

Schermafbeelding 2019-09-29 om 09.18.32

Peter ligt met zijn hoofd op de naakte borst van Anna. Hij hoort en voelt haar hart in haar verhitte borstkas met snelle slag bonken. Haar huid gloeit. Met zijn hand streelt hij haar klamme stevige borst en knijpt zacht in het veerkrachtige weefsel. Hij voelt haar tepel tegen zijn handpalm verharden. Het mengen van hartslagen. Langzaam wordt haar ademhaling rustiger en minder diep en wordt haar hartslag rustiger.

‘Ik hou best wel heel erg veel van je,’ zegt Anna en streelt Peter door zijn natte haar.

De lakens van het bed zijn verzadigd van de zilte geur van innig vrijen.

‘Ik ook van jou schat. Ik verkies de liefde met jou vandaag,’ fluistert Peter.

‘Alleen vandaag?’

‘Natuurlijk niet, voor altijd.’

Peter doezelt weg op Anna’s borst. Hij zoent de tepel van haar linker borst. Hoe gelukkig kan je zijn.

Hij schrikt wakker van het harde doordringende geluid van het alarm van de monitor. Direct is hij uit zijn droom meedogenloos terug in het hier en nu. Fel licht. Harde witte lakens. Geurloos. Anna die doodstil in het ziekenhuisbed ligt. Regelmatige in- en uitademing van de machine. Hij kijkt naar de monitor boven haar bed. Haar hartslag is opvallend lager, maar bloeddruk veel hoger. Daar alarmeert de monitor nu op. 250/138 knippert in rode cijfers op de monitor. Anna’s wangen ogen gloeiend. De kronkelige bloedvaten op haar slapen gezwollen. Twee verpleegkundigen komen de kamer binnen. Beiden kijken eerst naar de monitor en vervolgens naar Anna. Eén van hen zet het alarm van de monitor op stil. De getallen blijven nu zonder geluid, maar even onheilspellend, knipperen. De andere verpleegkundige pakt een zaklampje uit de borstzak van haar uniformjasje en schijnt in de pupillen van Anna.

‘Acht min, acht min.’

Ze drukt vervolgens met haar ballpoint op de nagel van Anna. Bij de vorige controle strekte zij haar arm, maar nu volgt geen reactie.

‘Wat betekent dit?,’ vraagt Peter angstig.

‘De bloeddruk werd ineens hoog, en de pols vertraagd. Dat kan een teken zijn dat iets in haar hoofd misgaat,’ zegt de verpleegkundige. Ze kijkt Peter niet aan, haar blik is op de monitor gericht.

‘Ze beweegt haar arm ook niet meer als je haar pijn doet,’ merkt Peter op.

‘Dat is zo,’ zegt de verpleegkundige, Peter nu wel aankijkend, ‘ik ga de arts erbij roepen,’ en loopt de kamer af. De andere verpleegkundige blijft naast het bed staan en legt haar hand op Peters schouder.

‘Ik ben zo bang dat ik haar kwijt raak. Ik houd zo godvergeten veel van haar. Ze is echt zo’n fantastische vrouw.’

De verpleegkundige kijkt Peter zwijgend aan en voelt een brok in haar keel opkomen en kan haar tranen met moeite bedwingen.

‘Mijn kinderen hebben hun moeder nodig. Mijn dochter is pas dertien,’ zegt Peter met gebroken stem.

De verpleegkundige knikt zwijgend. ‘Af en toe is het ook zo’n ongelooflijk kutvak,’ denkt ze.

De intensivist komt samen met de verpleegkundige weer terug op de kamer. Hij kijkt direct naar de monitor. Inmiddels is de bloeddruk sterk gedaald en is de hartslag gestegen tot boven de honderd slagen per minuut. Je ziet haar hart bonken in de slagaders in haar slanke nek.

‘Ze heeft ook al een diabetes insipidus,’ zegt de verpleegkundige tegen de arts.

‘We moeten een nieuwe CT-scan maken,’ zegt hij, ‘Ik denk dat zij net een tweede hersenbloeding heeft gehad.’

‘Start maar met de noradrenaline. De MAP moet wel boven de tachtig blijven,’ zegt hij tegen de verpleegkundige.

Ruben en Sarah komen de kamer binnen.

‘Wat is er?,’ vraagt Sarah aan Peter. Haar grote blauwe ogen zijn wijd open.

‘Er moet een nieuwe scan gemaakt worden van Anna’s hoofd. Misschien heeft zij weer een hersenbloeding gehad,’ zegt Peter.

Ruben kijkt wezenloos naar de aanwezigen, draait zich om en schopt tegen de muur.

‘Waarom? Verdomme, waarom?,’ zegt hij met verheven stem.

Vrijdag 15 april, 20:07

‘Weet je al of zij in het donorregister geregistreerd staat,’ vraagt de intensivist aan de Suzanne.

‘We hebben net gebeld en zij staat in het register. Ze laat de toestemming aan haar familieleden over.’

‘Het ziet ernaar uit dat zij hersendood gaat, als ze het nu al niet is. Ze heeft net een recidiefbloeding gehad voorafgegaan door een flinke Cushing respons. Weet je wat dat is?, zegt de intensivist.

Suzanne zegt daar wel eens van gehoord te hebben, maar kan niet zo een-twee-drie reproduceren wat het precies inhoudt.

‘Een Cushing respons treedt op wanneer de hersenstam in doodsnood is. Even plastisch gezegd, de hersenstam doet een ultieme poging zijn leven te redden door de bloeddruk te laten stijgen en de polsslag te verlagen, teneinde bloed in het hoofd te krijgen. Het is een teken van inklemming van de hersenen. De zieke gezwollen hersenen klemmen zich letterlijk vast binnen de schedel, daarmee de bloedvaten die de hersenen van bloed moeten voorzien dichtdrukkend. Meestal treedt ook een diabetes insipidus op. De hypothalamus maakt geen antidiuretisch hormoon meer aan, en vervolgens gaat de rem op de urineproductie eraf. De patiënt plast ineens liters. Wanneer je een Cushing respons ziet na een subarachnoïdale bloeding in combinatie met een diabetes insipidus, kan je het donorregister wel gaan raadplegen. De patiënt gaat in zo’n geval razendsnel hersendood, legt de intensivist uit.

‘Reageert de diabetes insipidus een beetje op de Minrin,’ vraagt hij aan de verpleegkundige.

‘De urineproductie is weer genormaliseerd en ze is in balans met haar vocht-intake, zegt zij.

‘Mooi. Eerst maar eens met de familie gaan praten. De CT-scan laat zo’n ravage zien, dat komt niet meer goed. Eerst maar dit slechte nieuws brengen. Daarna kunnen we formeel de hersenstamreflexen testen. Wanneer die negatief zijn vraag ik wel een EEG aan. Maar eerst maar met de familie praten. Gaan jullie mee?,’ zegt de arts tegen Suzanne en de verpleegkundige.

Vrijdag 15 april, 20:13

De intensivist  schuift de deur van de kamer open. Peter en Sarah zitten naast het bed, Ruben staat tegen de muur geleund.

‘Lopen jullie even met ons mee? Wij willen de uitslag van de CT-scan met jullie bespreken.’

‘Dag schat, tot zo,’ zegt Peter tegen Anna en geeft haar een zoen op haar bovenarm.

Zwijgend lopen zij achter de artsen en verpleegkundige aan. Intuïtief voelen zij aan dat het geen positief gesprek gaat worden. De gang van de intensive care oogt ineens kaal, kil, onheilspellend. Het wit van de muren. Zo triest. Zo hard.

‘Op de CT-scan hebben we kunnen zien dat een tweede bloeding is opgetreden. Deze bloeding heeft meer schade aan de hersenen veroorzaakt, bovenop de schade die na de eerste bloeding is ontstaan.’

Hij zwijgt en wacht een eventuele reactie van Peter, Ruben en Sarah af.

Sarah neemt een diepe schokkerige ademteug en slaat haar beide handen voor haar gezicht en kijkt met haar grote blauwe ogen naar de artsen. Ze krimpt ineen en drukt haar benen strak tegen elkaar. Ineens realiseert zij zich dat haar moeder vrijwel zeker zal komen te overlijden.

Ruben vraagt voor de zoveelste keer of Anna dood gaat. Voor het eerst krijgt hij het antwoord wat hij niet wil horen.

‘Ja,’ zegt de arts gewogen, ‘…ik denk dat we haar niet meer kunnen redden.’

Ruben vliegt omhoog en roept tegen zijn vader: ‘Godverdomme, pap, dat kan niet. Mamma kan niet zomaar doodgaan. Gisteren hebben we samen thee gedronken.’ Hij slaat hard met zijn vuist op de tafel. Een plastic bekertje water valt om. Een stroompje water zoekt kronkelend zijn weg naar de rand. Niemand slaat er achting op.

De arts bevestigt de angst van Sarah. Zij laat zich van haar stoel afglijden en zit op haar onderbenen op de grond. Haar blote knieën steken door de scheuren in haar spijkerbroek. Haar smalle schouders schokken van het intense verdriet. De verpleegkundige gaat naast haar zitten op de grond en wrijft met haar vlakke hand over haar rug.

Peter weet even geen raad meer en kijkt afwisselend naar zijn beide kinderen en naar de artsen. Hij wil de meedogenloze overheersing van het onheil ontvluchten.

‘Is het echt hopeloos?’

‘Volkomen,’ zegt de arts rustig maar duidelijk, nu geen enkele ruimte meer voor hoop latend.

Suzanne kijkt ontwijkend opzij en schuift nerveus met haar ziekenhuisklompen op het lichtgroene marmoleum heen en weer.

‘We gaan zo wat testen doen om meer zekerheid te krijgen over de gevolgen van de tweede bloeding. Wanneer we die uitslag hebben zullen we opnieuw met jullie praten over hoe verder,’ legt de intensivist rustig uit.

Peter knikt zwijgend.

Sarah huilt nu hartverscheurend. Radeloos. De aankondiging van de dood heeft haar vol geraakt.

Ruben is naar buiten gelopen. Kwaad, machteloos.

Vrijdag 15 april, 21:22

In de artsenkamer zit Anton van Dalen, een van de oudere intensivisten. Kaal geschoren hoofd, wallen onder zijn donkerbruine ogen. Hij werkt al ruim twintig jaar op de intensive care. Heeft alles al honderden keren gezien en meegemaakt. Hij wilde chirurg worden, werd internist en uiteindelijk intensivist op de chirurgische intensive care. Na de fusie van de verschillende intensive care afdelingen, tien jaar geleden, doet hij alle soort patiënten.  Op een computerscherm bekijkt hij de bloeduitslagen van de patiënten.

Met een knal vliegt de deur van de artsenkamer open.

Suzanne komt binnen. Anton ziet aan haar ogen dat zij op het punt van huilen staat.

‘Vreselijk hè. Wanneer je zo’n jong gezin zulk slecht nieuws moet brengen,’ zegt hij.

‘Wat, wat… een vreselijke afdeling is dit…,’ zegt Suzanne stamelend, ‘Ik zal zo blij zijn wanneer mijn IC-stage erop zit, …wat een hel is dit!’

‘Wij brengen elke dag heel veel nare berichten. Maar probeer afstand te houden. Wanneer je lotgenoot van de naasten van je patiënten wordt, kan je hen niet meer goed helpen. Probeer te voorkomen dat je emotioneel besmet raakt. Maar het is goed en ook echt mooi dat dit soort onvoorstelbare narigheid je zo raakt. Zo’n mooie jonge vrouw, zo full of life en in een fractie van een seconde zo’n gebarsten aneurysma. En zulke jonge kinderen. En zo’n man die zijn levensmaatje verliest. Het leed is zo godverlaten intens. Je krijgt de rillingen over je lijf wanneer je bedenkt dat jou dat ook zou treffen. Een nachtmerrie. Het zou ronduit bizar zijn als dat je niet zou raken,’ zegt Anton, ‘Ik zou mij meer zorgen maken wanneer het jou onberoerd zou hebben gelaten.’

De oudere arts is zelf vele honderden malen de aankondiger van de dood geweest. De spranken van hoop wegnemend bij de verslagen naasten van de patiënt. Op de intensive care dirigeren de artsen vrijwel altijd de dood door dat zij op een gegeven moment de orgaanfunctie-vervangende apparaten staken omdat alle hoop op herstel weg is of de kwaliteit van het resterende leven te laag is. Het doorbehandelen is disproportioneel geworden. Behandelen wordt mishandelen. Op geen enkele andere afdeling in het ziekenhuis wordt het sterven van patiënt zo door de arts bepaald als op de intensive care. Dat lijkt een voordeel omdat het sterven te plannen is, maar in de meeste gevallen gaat het veel te snel voor de familieleden die het allemaal niet kunnen bevatten. De werkelijkheid is immers totaal verschillend met wat je op televisie hebt gezien en je je kan voorstellen. Zo meer verbijsterend.

‘Ik weet het,’ zegt Suzanne, ‘maar ik dacht dat ik op de IC met al die indrukwekkende mooie apparatuur de hele dag levens aan het redden zou zijn. Een lange neus naar de dood zou gaan trekken. Vooral dankbare familieleden zou treffen omdat wij de patiënten, hun geliefden, vlak voor de stinkende poorten van het dodenrijk weg konden rukken met al onze mooie techniek en dure apparatuur. Maar het is niet zo. De dood zit continu in de wachtkamer te wachten wanneer hij weer lachend los kan gaan op zijn volgende slachtoffer. De intensive care is vaak een bar slecht toneelstuk. Een prachtig decor, maar een bedroevend spel. Ik heb diep respect voor jullie gekregen dat jullie het hier jaar in, jaar uit kunnen werken.’

Anton knikt en kijkt zwijgend uit het raam. Hij weet het allemaal. Weet het al heel lang. Misschien wel veel te lang al. Buiten rijdt het verkeer alsof er helemaal geen ellende in de wereld bestaat. Alsof geen IC bestaat. Alsof de dood niet bestaat.

Vrijdag 15 april, 22:29

‘Kan jij haar oogleden omhoog houden wanneer ik het ijswater in haar gehoorgang spuit?’ De neuroloog kijkt Suzanne vragend aan.

‘Kunt u mij gelijk uitleggen wat u nu gaat doen?’ vraagt de leerling-IC-verpleegkundige, ‘Ik heb het vaststellen van de hersendood niet eerder meegemaakt.’

De neuroloog gaat er even voor staan. Hij houdt wel van bed-site-teaching.

‘Een van de onderdelen van vaststelling van de hersendood is het testen van de hersenstamzenuwreflexen. Er zijn twaalf paar zenuwen die direct uit de hersenstam komen. Op één na hebben al die zenuwen betrekking op bewegingen en functie aan het hoofd, zoals van de ogen. Wij kunnen acht van de twaalf paar hersenstamzenuwen met vijf onderzoeken gemakkelijk testen. De reactie van de pupillen op licht. Normaal knijpt de pupil samen wanneer je er licht in schijnt. Bij hersendood zijn de pupilspieren verlamd. De derde hersenstamzenuw doet het niet meer. De pupillen staan wijd open en reageren niet meer op licht met samentrekken.

Ook de reactie op het aanraken van het hoornvlies testen we. Normaal ga je knipperen wanneer je het hoornvlies aanraakt. Bij hersendood niet meer.

Verder de hoestreflex. Normaal ga je hoesten wanneer er vocht in je luchtpijp komt, bijvoorbeeld wanneer je je verslikt. Bij hersendood hoest de patiënt niet meer wanneer we wat water in de beademingsbuis spuiten.

Ook kijken we naar de bewegingen van de ogen op bepaalde prikkels. Bijvoorbeeld het inspuiten van ijskoud water in de uitwendige gehoorgang. Normaal, dus ook bij een comateuze, maar niet hersendode patiënt, zouden de ogen in een horizontaal vlak heen en weer gaan bewegen na het inspuiten van het water. Bij hersendood gebeurt dat niet. We noemen dat poppenogen.

Tenslotte bewegen we het hoofd snel naar links en naar rechts. Normaal moeten je ogen volgen, compenseren. Bij hersendood doen ze dat ook niet meer.

Met het doen van deze vijf testen bewijzen we dat de hersenstam onherstelbare ernstige schade heeft opgelopen. Dat de hersenstam functieloos is geworden. Dood is.’

‘Zullen we de testen nu even gaan doen? Zie je het in het echt.’

Geroutineerd voert de arts de hersenstamtesten uit. Hij laat de verpleegkundige zien wat afwezig is.

‘De hersenstam doet het niet meer. Ik zal in het dossier noteren dat ik geen enkele respons heb kunnen waarnemen.’

Hij verlaat de kamer.

‘Geen hersenstamreflexen meer,’ zegt hij tegen de intensivist die achter de balie op de intensive care zit.

‘Dank je wel. Ik zal bij de neurofysiologen een EEG aanvragen’.

Vrijdag 15 april, 23:11

Ruben denkt terug aan het gesprek dat hij gisteren met zijn moeder had. Ze had hem gevraagd naar zijn vrienden en alle perikelen. Samen hadden ze thee gedronken. Had hij geweten dat dit gesprek het laatste zou zijn dat zij ooit samen zouden hebben, had hij er veel meer uit willen halen.

Het vliegt hem aan en hij barst opnieuw in huilen uit.  Hij springt op en pakt Anna met beide handen bij haar schouders vast. Tranen druppen op het witte laken en het gezicht van zijn moeder.

‘Mam, ik wil weer met je praten. We moeten de planning van de toetsweek maken, mam. Ik moet het daar met je over hebben. Zoals altijd mam. Reageer nou’ .

Zijn net-nog-geen man, maar-zeker-geen-kind-meer lichaam schokt onder het groteske verdriet. Anna geeft geen enkele reactie.

Vrijdag 16 april, 00:18

‘Het EEG is iso-elektrisch,’ zegt de vrouwelijke neuroloog.

‘Ik zal de voorlopige uitslag in het dossier noteren. Mijn baas zal het zo snel mogelijk valideren,’ zegt zij.

‘Helder, thanks.’

‘Wat een onaantrekkelijke mens is dit,’ denkt de intensivist. Hij kijkt haar achterop terwijl zij driftig van de intensive care afloopt.

Een verpleegkundige ziet de intensivist met zeker afgrijzen naar de vrouw kijken en zegt, ‘En een deodorant zit maar zelden in haar boodschappenmandje.’

Vrijdag 16 april, 00:28

‘Nu alleen de apneutest doen, als laatste onderdeel van de hersendoodvaststelling,’ zegt de intensivist tegen de arts-assistent, ‘Maar ik zal eerst even de transplantatie-coördinator bellen dat we een mogelijke donor hebben.’

Hij loopt naar de balie en zoekt in de computer het mobiele nummer van de transplantatie-coördinator op.

‘Met Rolf van de IC. We hebben een potentiële hersendode orgaandonor voor je. Vrouw van 38, Anna Frederiks, patiëntennummer 5466778, massale SAB met recidief bloeding. Gezond, blanco voorgeschiedenis, alleen een wat milde hypertensie. Geen medicatiegebruik. Neurologisch onderzoek is negatief en het EEG is iso-elektrisch. We gaan zo een apneutest doen, maar ik verwacht dat ze niet zal ademen. Bloeddruk stabiel, plast goed, heeft een diabetes insipidus gehad, maar met Minrin snel gecoupeerd. Zij staat geregistreerd in het donorregister. Ze laat de beslissing aan de naasten over. Echtgenoot en twee kinderen zijn in het ziekenhuis. Redelijke mensen, wel erg verdrietig.’

Nadat hij het gesprek met de transplantatie coördinator heeft afgesloten, zegt hij tegen de verpleegkundige: ‘Zou je bij mevrouw Frederiks bloed willen afnemen voor HIV, CMV en weefseltypering? En doe gelijk maar weer een keer volledige routine-chemie en hematologie. De transplantatie coördinator komt met een half uurtje op de IC en zal dan de rest afspreken.’

‘Maar nu eerst even de apneutest doen. Ga je mee,’ zegt hij tegen de arts-assistent.

Zaterdag 16 april, 00:30

Sarah zit naast het bed van haar moeder. Zij heeft haar hoofd op het bed gelegd en houdt de hand van Anna vast. Overmand door slaap en moe van het verdriet kan ze haar rauw gehuilde ogen niet meer openhouden.

Ze schrikt wakker wanneer de deur van de kamer wordt opengeschoven. Suzanne en een van de intensivisten komen binnen en kijken eerst op de monitor, vervolgens naar Anna en ten slotte naar Sarah.

‘We willen nog één test doen voordat we weer met jullie komen praten. Zou je even bij je vader en broer in de familiekamer willen wachten?’

Met tegenzin staat Sarah op en loopt de kamer uit.

Suzanne kijkt haar meewarrig na. Het arme meisje.

Zaterdag 16 april, 01.02

‘In het vorige gesprek hebben we al vastgesteld dat vooruitzichten voor Anna niet goed zijn. Zeker na de tweede bloeding. De schade aan de hersenen die wij op de CT scan hebben gezien is bevestigd door de testen die wij hebben gedaan. Wij hebben gekeken naar de reacties van de hersenstam, het onderste deel van de hersenen, dat je als de regelkamer van de hersenen moet zien. Geen van de testen die wij daarbij gedaan hebben, gaf een positieve uitslag. Dat betekent dat de hersenstam niet meer functioneert. Ook hebben we gekeken of Anna zelfstandig kan ademhalen. Daarbij is zij even losgekoppeld van de beademingsmachine. Hieruit bleek dat zij zelf niet meer ademt, dat jullie de borstkast op en neer zien gaan wordt helemaal door de machine gedaan. Ten slotte hebben we gekeken of activiteit te meten was in de buitenkant van de grote hersenen door een EEG, een hersenfilmpje, te maken.’

De intensivist beweegt zijn beide handen over de ronding van zijn hoofd om aan te geven waar precies gemeten is.

‘Dit onderzoek is door speciaal hiertoe opgeleide neurologen gedaan. Zij hebben vastgesteld dat ook bij deze test geen activiteit meer te meten is in de buitenste laag van de hersenen.’

De arts pauzeert zodat deze meedogenloze opsomming van slecht nieuws iets kan bezinken. Het definitieve doodsvonnis. Hij probeert in te schatten of zijn woorden bij Peter en de kinderen binnenkomen.

Peter kijkt de arts glazig aan. Dit gaat allemaal niet over zijn Anna, zijn lief, zijn wijf, de mooiste vrouw van de wereld. Zijn lief is geen samenraapsel van reflexen, metingen en testjes die door speciaal opgeleide neurologen zijn uitgevoerd. Niet interessant allemaal. Anna is zijn levensmaatje, zijn minnares, de moeder van zijn twee prachtige kinderen, de sensuele mooie slanke vrouw in haar verleidelijke jurkjes. De vrouw waarvan hij elke centimeter van haar lichaam kent. Haar geur van verre kan herkennen. De vrouw waarmee hij het komende weekend uit zou gaan. Begrijp je dat niet man!

Suzanne voelt haar ademhaling in haar keel stokken, maar houdt zich flink.

Ruben kijkt naar de grond en trapt met zijn ene schoen de zool van de andere los. Door het skate-en is de zool losgeraakt en al drie keer hebben Anna en hij er een tube lijm tussen gespoten. Elke keer raakte hij weer los, maar het zijn echt zijn favoriete sneakers. Daarom kunnen ze niet weg. Wanneer Anna weer uit het ziekenhuis komt moeten ze er maar weer een tube lijm tussen leegspuiten, bedenkt hij zich. Hij wil dit tegen de artsen zeggen maar hij krijgt geen woord meer uit zijn keel. Hij wil de woorden van de arts niet horen. Hij moet zijn bek houden met zijn stomme onbegrijpelijke testjes. Mamma is geen hersenstam!

‘Mamma wordt echt nooit meer wakker?,’ zegt Sarah ineens.

‘Je moeder wordt nooit meer wakker. Echt nooit meer,’ zegt de arts.

Er valt een stilte.

Ineens vraagt Peter: ‘Is dit zoiets als hersendood?’

‘Inderdaad,’ zegt de arts, blij dat Peter er zelf over begint, ‘Anna is hersendood. En wanneer je hersendood bent ben je dood, ook al klopt je hart en is je lichaam warm. Alles functioneert, behalve de hersenen. En de meeste organen functioneren alleen maar door onze machines en de medicamenten die we geven. Verder doorbehandelen heeft echt geen zin meer. Deze toestand is echt onomkeerbaar.’

De arts pauzeert weer even. De finale klap is gegeven. Geen weg terug.

‘Wij hebben in het donorregister gekeken en daarin gevonden dat Anna zich een paar jaar geleden heeft laten registreren als orgaandonor. Zij heeft laten vastleggen dat ze de uiteindelijke beslissing om haar organen te mogen gebruiken voor transplantatie aan jullie overlaat. Wisten jullie dat zij zich had laten registreren?’

‘Ik wist dat. We hebben het over gehad, ook al begrepen we niet goed hoe het precies in zijn werk zou gaan…. Nou, zo dus,’ zegt Peter.

‘Maar, wacht even, …jullie zien haar nu als mogelijke orgaandonor? Jullie doen nu niets meer om haar leven te redden? Alles wat jullie nu doen is Anna’s organen goed houden?’

De arts knikt zwijgend. Dit keerpunt in de behandeling is altijd moeilijk over te brengen. Hij vindt het ook altijd zo zakelijk overkomen als hij om de organen moet vragen. Maar het kan niet op een andere manier. Dit gesprek zal je altijd moeten voeren, ongeacht of de patiënt wel of niet geregistreerd staat in het donorregister of met wat voor toestemmingssysteem de politici ook bedenken. De patiënt als een te redden persoon is niet meer van belang, je doet nu alles voor de potentiele ontvangers van de organen. De hele verdere behandeling, en veel is het zelfde als voor het keerpunt, wordt niet meer gedaan om het leven van de patiënt te behouden.

Ruben en Sarah wisten niet dat hun moeder zich als orgaandonor had laten registreren. Ze had dat nooit aan hen verteld. Waarom zouden ze ook moeten weten? Het is een raar abstract iets, donor worden. Iets bizars. Niet normaal. Iets wat je nooit zal overkomen. Iets wat alleen anderen overkomt. Tot het moment dat het wel gebeurt. Onvoorstelbaar.

‘We kennen niemand die ‘orgaandonor’ is geworden,’ zegt Sarah.

Met je moeder praat je over andere zaken. Moeders gaan niet dood. Moeders worden geen dode orgaandonor. Dochters praten met moeders over school, kleding, hockey, vrouw-worden, tampons, jongens. Moeders stoppen daar niet zomaar mee.

Suzanne denkt aan de gesprekken die zij met haar moeder heeft gevoerd en die zij nog steeds heeft.

‘Jullie willen haar organen uit haar weghalen en deze aan anderen geven?, vraagt Ruben.

‘Ben jij ook orgaandonor, pap,’ vraagt Sarah angstig aan Peter, zich ineens bewust dat ze ook zomaar haar vader zou kunnen verliezen.

‘Welke organen?,’ vraagt Ruben, de vraag van Sarah aan Peter negerend.

Haar hart …en longen …en nieren …en lever…,’ somt de arts op. Hij pauzeert tussen het noemen van de verschillende organen. Anders klinkt het zo kil en hebberig.

‘Ook haar hart?,’ zegt Ruben, ‘Haar kloppende hart?’

De arts weet niet goed hierop te reageren en vraagt hem waarom hij dat wil weten.

‘Toen ik 112 belde vroeg de mevrouw aan de telefoon of ik mijn moeders pols wilde voelen. En toen ik zei dat ik een pols voelde, zei zij dat mijn moeder leefde. Ik heb de afgelopen dag steeds haar pols gevoeld toen ik naast haar zat, en steeds wist ik dat zij leefde. En nu zegt u dat ze dood is, maar haar hart leeft, want ik voel haar pols. Jullie mogen niet haar levende  kloppende hart hebben’. Ruben kijkt zijn vader aan in de hoop steun te vinden. ‘Nee, toch, pa?’

‘Mamma zou mij nooit alleen laten,’ zegt Sarah snikkend zich realiserend dat alle hoop weg is, ‘Dat heeft ze mij, toen ik zo ziek was vorig jaar, beloofd. Snapt u dat niet? Zij sliep toen naast mij. Waakte over mij.’

Suzanne en de intensivist zwijgen en kijken Sarah ongemakkelijk aan. Wat moet je hier in godsnaam op zeggen? Dit zijn de gesprekken die hij niet wil doen. Dit vertellen ze je in de collegebanken niet.

‘Ik wil naar Anna toe,’ zegt Peter en staat abrupt op. De stoel schuift tegen de achterkant van zijn benen naar achteren. Hij loopt naar de deur van de familiekamer.

‘Ik wil het haar vragen, ook al reageert ze niet. Dan zal ik het weten,’ zegt hij vanuit de deuropening. Ruben loopt achter hem aan en kijkt verwijtend naar de arts achterom.

De artsen geven hen de ruimte. Geen haast. Anna’s bloeddruk is stabiel, haar nieren produceren voldoende urine, de beademing geeft geen problemen. Ze kan uren in deze toestand op de intensive care blijven.

Zaterdag 16 april, 01:42

Schermafbeelding 2019-09-29 om 09.14.31

‘Ze lijkt helemaal niet dood,’ zegt Sarah, ‘Er is geen verschil met toen ze zeiden dat ze niet dood maar in coma was.’ Ze streelt met haar vlakke hand over de onderarm van haar moeder.

‘Maar haar hersenen zijn dood zeggen die dokters’ zegt Ruben. ‘En zonder hersenen kan je niet leven? Mamma zal nooit meer wakker kunnen worden, en ze kan nooit meer zonder al die stomme kutmachines hier.’

‘Maar als je zo lekker warm, en kleur op je wangen hebt, en je plast en als je hart klopt,  kan je niet dood zijn?,’ zegt Sarah, ‘Dat zei je net zelf ook.’

‘We moeten die dokters maar geloven dat het zo is, ze weten echt wel waar ze het over hebben,’ zegt Ruben, ‘Ik snap het ook niet.’

‘Anna, schat van me, mogen we je organen aan andere mensen geven?,’ vraagt Peter. Hij legt zijn hoofd op haar borst en voelt en hoort haar hart krachtig kloppen. Hij denkt gelijk weer terug aan zijn droom die hij eerder vandaag had toen hij ook met zijn hoofd op haar borst lag.

‘Het is godverdomme allemaal zo ingewikkeld, lief. Het gaat allemaal veel te snel,’ mompelt hij. Hij gaat rechtop staan, legt zijn beide handen op zijn hoofd en kijkt naar het plafond. Hij denkt aan de plannen die Anna en hij en zijn kinderen voor komend weekend hadden gemaakt. Plannen die ineens niet meer doorgaan.

‘Wat vinden jullie?,’ vraagt Peter aan zijn kinderen, ‘Help me eens.’

‘Niet haar hart,’ zegt Ruben stellig, ‘echt niet haar hart.’

‘Ik weet het niet… ik wil het ook helemaal niet weten,’ zegt Sarah. ‘Beslissen jullie maar.’

‘Niet haar hart!’ zegt Ruben verontrust.

Sarah loopt de kamer uit.

Peter loopt naar de arts achter de desk op de intensive care.

‘Jullie mogen haar organen gebruiken, maar niet haar hart. Dat is van ons, figuurlijk maar ook letterlijk. Zij heeft figuurlijk ooit mijn hart gestolen, en ik hou met heel met hart en ziel van haar, en zij hield met haar hele hart en ziel van mij en haar kinderen. Wij gaan het hare niet weggeven aan een ander,’ zegt Peter tegen de arts.

‘En ook haar longen niet. Ik wil dat haar borstkas heel blijft,’ zegt hij.

‘Jullie kunnen wel drie mensen extra helpen met haar gezonde hart en longen, probeert de arts voorzichtig, zonder echt aan te dringen.

‘Nee!, wij willen het écht niet!, zegt Peter nadrukkelijk, ‘Wij begrijpen heel goed dat er anderen mee te helpen zijn, maar wij willen het niet. Nee!, niet haar hart en niet haar longen. Niet!’

‘Prima,’ zegt de arts, ‘Ook met haar lever en nieren kunnen we drie mensen helpen. Dank dat jullie hier toestemming voor willen geven.’

Peter loopt weg van de desk.

‘Nooit aandringen wanneer de familie ‘nee’ zegt. Voor het zelfde geld trekken ze hun hele toestemming in. Het ligt heel gevoelig,’ zegt Sandra, een oudere verpleegkundige tegen de arts, ‘Je ziet toch hoe enorm betrokken en geëmotioneerd deze mensen zijn.’

‘Je hebt gelijk, maar het is zo jammer van dat gezonde hart en die gezonde longen. Die we doorgaans transplanteren zijn niet altijd zo perfect van conditie.’

“Dat is niet onze verantwoordelijkheid, ‘ zegt de verpleegkundige. ‘De patiënt en diens naasten, daar zijn wij voor, niet voor de potentiele ontvangers van de organen. Daar zijn anderen voor.’

Zaterdag 16 april, 02.00

‘Emma, met Peter, ‘Bel ik je wakker?’

‘Nee,’ zegt Emma, ‘Ik kan toch niet slapen. Is Anna dood, Peter, is ze dood? Ik denk maar steeds dat ze dood is,’ zegt ze met gebroken stem.

‘Anna is hersendood. Ook al klopt haar hart en behandelen ze haar op de IC, Anna is dood. Ze wordt orgaandonor. Ze gaan haar nieren en lever uitnemen voor transplantatie. Dat zal aan het begin van de ochtend gaan gebeuren. Wil je haar zien, moet je nu naar het ziekenhuis,’ zegt Peter met schorre stem.

‘Ik wil haar zeker zien. Ik kom nu. Ik wil haar nog een keer levend zien.’

Peter loop naar de verpleegkundige die achter de desk zit en zegt haar dat Emma, de hartsvriendin van Anna, zo komt afscheid nemen.

Zaterdag 16 april, 02.35

Peter ligt met de zijkant van zijn hoofd op Anna’s bovenarm en luistert naar het regelmatige in- en uitademen van de beademingsmachine. Het geeft op een vreemde manier rust en berusting. Het klinkt zo levend. Niet dood.

Ruben zit op de grond met zijn rug tegen de muur van de kamer en Sarah ligt met opgetrokken benen, als een slapende kat, aan het voeteneinde op het bed van Anna.

Zacht wordt de schuifdeur van de kamer opengeschoven en Emma komt op haar tenen lopend binnen. Peter staat op en omarmt haar. Emma barst direct, maar ingehouden, in huilen uit. Hij voelt haar benige schouders schokken onder zijn handen en haar warme tranen door zijn overhemd heen op de huid van zijn schouder. Hij sluit zijn ogen en geeft haar een zoen op haar haar.

Sarah wordt wakker, staat op van het bed, geeft Emma een stevige zoen en slaat haar armen om haar nek.

Emma gaat naar Anna. Zij wil haar aanraken, maar durft het niet. Ze trekt haar uitgestoken hand vlak boven Anna’s arm weer terug.

‘Je mag haar wel aanraken hoor,’ zegt Peter en gaat naast Emma staan.

‘Raak haar maar aan, geef haar maar een zoen.’

Emma bukt en geeft haar dierbaarste vriendin een zoen op haar voorhoofd.

Emma schrikt terug en slaat haar hand voor haar mond.

‘Wat is er?’, zegt Peter.

‘Het is zo raar dat zij niet reageert op mijn zoen. Anna is altijd zo spontaan in direct terug zoenen en knuffelen. Ze is zo fysiek, en nu reageert ze helemaal niet. Altijd zit ze aan me te plukken en te aaien. Oh, wat erg is dit.’

‘Haar hersenen doen het niet meer Emma,’ zegt Peter, ‘Ze kan niet meer reageren. Het is Anna niet meer.’

Emma kijkt Peter verbouwereerd aan. Het valt niet te bevatten.

‘Ze ligt daar Peter. Ze ligt daar, dat is Anna,’ zegt Emma.

Zaterdag 16 april, 06:39

Schermafbeelding 2019-09-29 om 09.09.36

Twee verpleegkundigen en een arts rijden het bed met Anna de kamer uit door de gang van de intensive care. De draagbare beademingsmachine maakt een zuchtend geluid bij elke uitademing. De vervoersmonitor geeft bij elke hartslag een kort signaal. Peter, Ruben, Sarah  en Emma volgen naar de lift. Bij de lift zoenen zij Anna een laatste keer voordat zij naar de operatiekamer zal worden gebracht voor het uitnemen van de lever en de nieren. Daarna zal op de operatiekamer de beademing worden gestopt waarna het hart zal stoppen. Haar dode lichaam zal terug worden gebracht naar de intensive care. Peter en de kinderen willen daar wachten tot ze teruggebracht is.

‘Dag lief, dag lieve schat, dag vreselijk mooie vrouw van me,’ zegt Peter.

Haar nu alleen te laten voelt zo vreselijk, zo liefdeloos, zo verkeerd.

Ruben voelt voor de laatste keer haar pols.

‘Haar hart klopt,’ zegt hij op vlakke toon.

Sarah geeft haar moeder wel tien zoenen op haar wang.

‘Dag lieve mamma, ik houd veel van je,’ snikt haar dochter.

Emma pakt Anna’s hoofd met beide handen vast en zoent haar nadrukkelijk op de zijkant van haar mond, vlak naast de beademingstube. ‘Dag lieverd van me, ik zal altijd aan je blijven denken.’

De verpleegkundigen en de arts rijden het bed de lift in.

Ruben pakt Sarah’s hand en de hand van Peter. Emma legt haar hand op de schouder van Peter.

De deuren van de lift sluiten zich traag tussen de beide werelden.

In de lift zwijgen de arts en verpleegkundigen. Het leed van de dierbaren van Anna is te grotesk. Dit lijden is onvoorstelbaar.

Op de operatiekamer staan de chirurgen, de anesthesist en ander operatiekamer personeel klaar voor het uitnemen van de nieren en lever van Anna.

Van het bed wordt Anna over getild op de operatietafel. De anesthesist stelt de beademingsmachine in en sluit haar aan op de bewakingsmonitor. De bloeddruk en hartslag zijn stabiel en binnen normaalwaarden. De verzadiging van zuurstof in haar lichaam is optimaal. Ondanks dat Anna hersendood is, en volgens de geldende criteria ‘dood’ is, geeft de anesthesist haar narcose. Ter voorkoming van reflexen en reacties vanuit het ruggenmerg. Haar borstkas en benen worden afgedekt met steriele doeken. Het felle licht van de operatielamp schijnt op haar gladde naakte buik. Een operatieassistent poetst haar buik met een roze desinfectiemiddel.

‘Kunnen we?, ‘vraagt de chirurg met een scalpel in zijn hand aan de anesthesist. Hij is duidelijk ongeduldig.

‘Yep,’ antwoordt deze kort.

De chirurg maakt met een thermische scalpel een lange snede in Anna’s buik vanaf de onderste punt van haar borstbeen tot net boven haar venusheuvel. In een vloeiende beweging heeft hij met een bochtje om de navel heen gesneden. Vervolgens snijdt hij bedachtzaam door het onderhuidse vet en de spieren. Een doordringende geur van verbrand vlees. De instrumenterende assistent plaatst een glimmend metalen sperder in de buik en draait deze in een stand vast waardoor de buik wijd open ligt. De chirurg schuift bedachtzaam het heldergele bobbelige darmscheil dat als een gordijn over de darmen ligt omhoog. De kleuren van Anna’s buikorganen zijn onvoorstelbaar mooi en harmonisch. De lichtroze darmen zijn belegt met honderden helderrode dunne kronkelende bloedvaatjes. Het licht van de operatielamp weerspiegeld in de rand van de egaal bruine lever. Door het kloppen van haar hart en grote lichaamsslagader pulseren de organen regelmatig. De beademingsmachine blaast met een rustgevende regelmaat zuurstofrijke lucht in Anna’s longen, waardoor haar middenrif de buikorganen in haar buik doet bewegen. Het is de aanblik van een samenstel van vitale organen, een perfecte anatomie, vol van leven, van een jonge vrouw. Het is bijna als de verwoesting van een kunstwerk als je deze perfecte anatomie door het chirurgisch mes verstoort.

‘Een mooie slanke lever, fraaie scherpe rand. Die zal het goed gaan doen in de ontvanger,’ zegt de chirurg koel terwijl hij zijn vingers voorzichtig langs de lever haalt.

Snel en geroutineerd beginnen de chirurgen de vitale buikorganen te verwijderen. Er hangt een respectvolle stilte in de operatiekamer. Een donoroperatie bij zo’n jonge donor is ook ingrijpend voor het operatiekamerpersoneel. Bij het begin van de operatie is zoveel leven in het lichaam van de jonge vrouw. Het is bijna onvoorstelbaar dat zij dood is. De aanblik van de organen is van levenskracht, niet van dood. Maar met het vrij prepareren en uitnemen van de verschillende organen en het onherstelbaar verstoren van de samenhangende anatomie verdwijnt steeds meer leven uit het lichaam van Anna. Het proces is nu onomkeerbaar. De samenhang van organen is nu door het chirurgische mes zodanig verstoord dat het leven wel moet verdwijnen. De mensen op de operatiekamer hebben geen weet van het intense leed dat de afgelopen dag op de intensive care door Peter, Ruben en Sarah is geleden.  De scheiding tussen de fase van behandeling op de intensive care en het uitnemen van de organen voor transplantatie is strikt gescheiden. Ook emotioneel. En dat is goed. Voor de hulpverleners op de operatiekamer zijn het de organen van een inwisselbaar mens. Zij kennen de vrouw die Anna was niet. Daarom kunnen zij professioneel hun werk snel en adequaat uitvoeren. Met emotionele distantie. Voor hen is zij niet de moeder van Ruben en Sarah, het maatje van Peter, de vriendin van Emma en Annemiek. De artsen en verpleegkundigen op de intensive care zijn hier voor een klein deel in betrokken, maar kunnen meestal hun professionele afstand bewaken en behouden. Maar niet altijd. Soms is het leed te voorstelbaar. Te intens. Godverlaten intens.

Nadat de lever en de nieren zijn uitgenomen wordt de beademingsmachine losgekoppeld van de beademingsbuis. Het hart fibrilleert, stopt haperend maar snel met kloppen, deels door de ernstig verstoorde anatomie in de buik door het uitnemen van de organen, deels door het acute zuurstoftekort na het stoppen van de beademing. Het hart, dat Peter voelde en hoorde kloppen tijdens hun meest intense momenten met Anna, is gestopt. Anna’s hart is nu ook dood. Anna is dood.

Zwijgend sluit de arts-assistent de buikwond met stevige hechtingen. Samen met de verpleegkundige plakt hij een lange witte pleister over de wond. Ze verwijderen de groene doeken en met elke doek die zij verwijderen wordt de dood van Anna zichtbaarder. Uiteindelijk ligt het naakte dode lichaam in het meedogenloze licht van de operatielamp. Een ivoorkleurig lijk van een mooie jonge vrouw. Het lijk van Anna. De verpleegkundige verwijdert rustig en respectvol de beademingsbuis uit de luchtpijp en peutert de pleister waarmee de maagkatheter aan Anna’s neus is vastgeplakt los. Respectvol. Zwijgend. Alle ingebrachte infuusnaalden, katheters en lijnen worden verwijderd. Het lichaam van Anna komt weer in de ‘natuurlijke’ staat.

Zaterdag 16 april, 09:00

Peter leunt met gestrekte armen op de wastafel van het ziekenhuistoilet. Er hangt een vieze chemische lucht. Hij kijkt naar zijn weerspiegeling in de spiegel. Hij ziet bleek, moe met blauwige wallen onder zijn ogen. Zijn haar is uit model. Hij is verslagen. Geen grip meer.

‘Godverdomme,’ zegt hij hard en slaat met zijn vlakke hand op de spiegel.

Zijn lief wordt op dit moment geopereerd. Haar mooie zachte buik opengesneden. Haar lever en nieren uitgenomen. Zij is daar alleen, zonder hem, zonder Ruben en zonder Sarah. Zonder dat hij haar kan beschermen. Zonder hun warmte. Alleen met mensen die haar niet kennen. Die haar mooie stem nog nooit gehoord hebben. Hij kan niet tegen haar zeggen dat hij naast haar is. Hij kan haar niet vasthouden. Haar strelen. Het is onherroepelijk. Het is definitief. De dood. De amputatie. Het plotse losscheuren. Hij zal haar nooit meer levend terugzien. Nooit meer spreken. Nooit meer met haar vrijen, nooit meer met haar lachen. Hij heeft geen tranen meer. Hij kan niet meer huilen. Hij buigt naar voren en leunt met zijn voorhoofd tegen de spiegel. Hij slaat met zijn beide vlakke handen op de spiegel.

‘Verdomme, Anna!’

Zaterdag 16 april, 10:39

De verpleegkundige loopt naar de familiekamer en doet voorzichtig de deur open.

‘Anna is weer terug van de operatieafdeling,’ zegt zij, ‘Zij ligt weer op haar kamer op de IC.’

Zwijgend lopen Peter, Ruben en Sarah naar kamer 12 van IC-9. Moe van het verdriet. Moe van machteloosheid. De verpleegkundige schuift de deur van de kamer voor hen open. Het is doodstil in de ruimte. Gedempt licht. Geen alarmen meer van de monitor, de infuuspompen en de medicatiepompen. Geen enkel teken van leven meer. Geen enkele interesse meer van artsen en verpleegkundigen, gealarmeerd door haar stervende hersenen. In het bed het dode verlaten lichaam van Anna. Geen beademingsbuis meer, geen infusen meer. Geen beademing meer. Een overschot van een waardevol leven. Nu al een herinnering. Een serene, kille stilte.

Peter legt zijn hand op Anna’s arm. Geschrokken trekt hij zijn hand terug. Haar arm voelt hard en steenkoud. De dood. Als ijs onder de strakke huid. Blauwe plekken op haar slanke armen. Restanten van de lijm van pleisters. In een fractie van een seconde realiseert hij dat zij nu echt onomkeerbaar dood is. Het onvoorstelbare bewaarheid. Hij legt voorzichtig de palm van zijn hand op de zijkant van haar steenkoude gezicht en zoent haar op haar door de dood strakgetrokken voorhoofd.

‘Dag mijn lief,’ fluistert hij.

Haar huid glimmend geelwit, als ivoor. Egaal strak. Het scherpe contrast van haar glanzende kastanjebruine haar met de stijve witte sloop van het ziekenhuiskussen. Ingevallen ogen. Bloedeloze dunne lippen. Het witte laken te strak over haar borsten gespannen. Te veel wit voor het leven.

Ruben voelt met zijn vingers aan de pols van Anna.

‘Mamma is dood,’ zegt hij rustig. Hij kijkt zijn vader aan. Zijn ogen zijn dof.

Sarah staat op een meter van het bed af en kijkt met haar hand voor haar mond met afgrijzen naar het dode koude lichaam van haar moeder. Ze kan en wil het niet bevatten. Het eerste lijk dat zij in haar jonge leven ziet is van haar moeder. ‘Ik ben nu moederziel alleen,’ mompelt zij.

‘Wij zouden graag met z’n drieën een tijdje bij Anna willen zijn,’ zegt Peter tegen de verpleegkundige.

‘Uiteraard. Ik laat jullie met haar,’ zegt zij oprecht betrokken en verlaat de box. Rustig sluit zij de deur.

Sarah omarmt haar vader. Peter slaat zijn arm om haar heen en wenkt Ruben ook bij hen te komen. Ook Ruben omarmt zijn vader. Hij legt zijn hoofd op zijn vaders borst. Peter richt zijn blik naar het plafond en sluit zijn ogen.

Zaterdag 16 april, 10.59

‘Anna is dood,’ zegt Peter met vermoeide stem. Hij belt met Anna’s ouders.

‘We halen haar vanmiddag naar huis. Kom vanavond maar naar ons toe.’

Zaterdag 16 april, 11.10

In de hal van het ziekenhuis is het rustig. De draaideur bij de uitgang draait langzaam. In een van de stoelen zit een oudere man. Infuusstandaard op wielen naast hem.

Peter, Sarah en Ruben lopen naar de uitgang om het ziekenhuis te verlaten. In de hal komt hen een echtpaar tegemoet. Veertigers. Hun gezichten gespannen. Angstig. Onrustig. Peter herkent het als de angst om het ongrijpbare. De man kijkt Peter aan en vraagt hem of hij iets mag vragen. Peter knikt.

‘Weet u waar de intensive care is?,’ vraagt de man met spanning in de stem.

Peter wijst naar het liftenblok.

‘Onze zoon is daar net opgenomen,’ zegt de vrouw met trillende stem.

Peter kijkt haar zwijgend aan.

‘De intensive care is op de tweede en de negende verdieping,’ zegt Peter.

‘Dank,’ zegt de man en loopt gehaast naar het liftenblok.

Zaterdag 16 april, 11:47

De zon is krachtig en schijnt op de voorkant van het huis. Peter steekt de sleutel in het slot van de voordeur en stapt zwijgend de gang binnen. Ruben en Sarah volgen. In de huiskamer ziet Ruben de twee lege theeglazen staan op de salontafel. Op een schoteltje twee uitgedroogde theezakjes. Op de bank zijn MacBook, de afstandsbediening en zijn koptelefoon. Op de grond voor de bank een halfvolle fles Icetea. Stille getuigen. Donderdagmiddag was hij hier voor het laatst. Toen dronk hij hier thee met zijn moeder. Met een hortende zucht probeert hij te voorkomen weer in huilen uit te barsten. Hij voelt tranen achter zijn oogleden branden. Hij legt zijn beide handen op zijn voorhoofd, gaat op de bank zitten en pakt gehaast, maar voorzichtig, het theeglas waar Anna haar laatste thee uit heeft gedronken.

‘Dit mag nooit gewassen worden,’ zegt hij tegen zijn zus die naast hem is gaan zitten op de bank.

‘Nooit!’ en drukt het glas tegen zijn borst.

Peter loopt de trap op naar de bovenetage. Hij kijkt de badkamer in. Op de zwarte tegels lege verpakkingen van medische disposables. Een plastic spuit ligt naast de wasmand. Een vierkant gaasje met opgedroogd bloed. Anna’s BH aan één van de handdoekhaken. De roze handdoek verfrommeld naast het toilet. Op de tegels voor de toiletpot opgedroogd bruin braaksel. Zwijgend kijkt hij naar de achtergebleven restanten van de acute catastrofe. De catastrofe waar hij niet bij was. Het moment dat zijn lief dodelijk getroffen werd.

In de slaapkamer ziet hij het zwarte jurkje op bed liggen en Anna’s spijkerbroek en T-shirt op de grond. Hij gaat voor het bed zitten en drukt zijn gezicht op het jurkje zonder het aan te raken. Zijn schouders schokken. Hij snuift de lucht diep in zijn neus. De geur die hij zo goed kent. De geur van zijn mooie lief. De tijd gaat deze wond niet helen.

De lever en de nieren van Anna werden getransplanteerd. De ontvangster van de lever was een jonge vrouw van 21 jaar die na eenmalig XTC gebruik acuut leverfalen kreeg. Door de transplantatie overleefde zij en kon zij zonder schade haar leven voortzetten. De ontvanger van haar rechter nier, een 42-jarige man, was jaren afhankelijk van dialyse en kon nu voor het eerst met zijn gezin op vakantie naar Azie. De ontvanger van haar linker nier, een 53-jarige vrouw met eindstadium nierfalen, werd door de transplantatie onafhankelijk van de dialyse.  Peter, Ruben en Sarah werden hiervan op de hoogte gebracht. Voor hen een troost bij het onvoorstelbare leed van de dood van Anna. 

 

‘Te hevig is

jouw zijn in mij

nog steeds

nog nu’

Ida Sipora, december 1961

 

Emotie zonder distantie

Schermafbeelding 2019-04-16 om 15.41.53

Op de intensive care afdeling worden patiënten met een ernstige ziekte of na een ingrijpende operatie bewaakt en behandeld. Kenmerkend voor de intensive care is dat falende orgaanfuncties worden ondervangen met orgaanfunctie vervangende apparaten en/of medicatie. Het meest toegepast is mechanische beademing voor ventilatoir en respiratoir falen. Nierfalen wordt ondervangen van nierdialyse, het falen van bloedcirculatie met medicamenten, een ballonpomp of een steunhart. Het falen van de gasuitwisseling kan ook ondervangen worden met ECMO, een soort hart-long machine. Infecties worden bestreden met antibiotica en antischimmel middelen. In sommige gevallen is het ingrijpen levensreddend en hersteld de patiënt volkomen, in andere gevallen wordt een patiënt met een chronische ziekte tijdelijk ondersteund, maar zal deze daarvan niet genezen. Ongeveer 15-20% van de op de intensive care opgenomen patiënten komt, ondanks alle inspanningen, op de intensive care te overlijden. Van deze patiënten zal bijna negentig procent sterven nadat de orgaanfunctie vervangende apparaten en behandeling is gestaakt. In de meeste gevallen betreft het dan het staken van de mechanische beademing. Meer dan de helft van de op de intensive care opgenomen patiënten zijn patiënten met chronische ziekten, zoals COPD, hypertensie, hart- en vaatziekten, kanker, diabetes type II, obesitas. Deze ziekten zorgen ervoor dat zij vatbaarder zijn voor infecties, zoals griep, en dat zij hierdoor beademingsbehoeftig worden. Zo’n twintig jaar geleden waren deze patiënten zeldzaam op de intensive care. Zij werden niet op de ic opgenomen omdat het beademen, dialyseren, en behandelen als disproportioneel werd gezien. Deze patiënten overleden dan buiten de ic. Nu overlijden veel van hen op de ic of na ontslag van de ic op de verpleegafdeling. Voor artsen en verpleegkundigen is het werken op de intensive care zwaarder geworden omdat veel patiënten niet genezen. Het is voor velen verworden tot een soort van ‘afwassen’ of ‘stofzuigen’, het werk is nooit klaar. Veel intensive care verpleegkundigen werken parttime. Veel jonge intensivisten die ik er gericht naar heb gevraagd zeggen dit werk niet hun hele carrière te willen doen. Intensive care is de duurste vorm van palliatieve zorg geworden. Sinds een jaar of tien bestaat de term ‘chronic critical care’. Patiënten die niet ‘van de beademing afkomen’ of wiens ziekte zich zo evolueert dat zij afhankelijk blijven van intensive care faciliteiten. Maar daar is intensive care niet voor. Er zijn ic-artsen en ic-verpleegkundigen die dit soort patiënten minder interessant vinden, anderen vinden het juist een uitdaging voor hen te zorgen. Zij worden ‘langliggers’ genoemd met veelal een negatieve ondertoon. Maar dat tegenover dat intensive care voor sommige patiënten levensreddend is. Een jonge vrouw met een longembolie aan de ECMO leggen, fantastisch werk.

In april 2019 verscheen bij uitgeverij Gopher het boek ‘Het echte leven is hier’ geschreven door zeer ervaren intensive care verpleegkundige Paul Kranendonk (1960). Het is, volgens de schrijver, ‘een essay’. Het gaat over intensive care en is ingedeeld in tweeëndertig hoofdstukken. Hij probeert ‘…een inzage te geven in een wereld die voor de meeste mensen gelukkig verborgen blijft’.

Schermafbeelding 2019-04-16 om 16.01.00
Paul Kranendonk (foto De Combinatie Ridderkerk)

Tijdens het schrijven van het essay werd hij geconfronteerd met veel vragen over intensive care geneeskunde en verpleegkunde, en deze vragen oppert hij meer dan genoeg: ‘Wat beweegt ons, waarom bestaat er zoiets als een ic?’; ‘Tot hoever gaat mijn zorgzaamheid eigenlijk?’; ‘Staat zo’n gebeurtenis te ver van mij af of is het juist te dichtbij?’; ‘Is hoop de enige emotie die angst kan overbluffen?’; ‘Mag ik hoop smoren, vernietigen, wetende uit ervaring dat het slechts om een reflex gaat en niet meer dan dat?’; ‘Waar zit hoop?’; ‘Is er slechts hoop en wanhoop of zijn er tussenvormen?’; ‘Hoe moet je je hoopvol uiten?’; ‘Kun je de waarheid wel vertellen?’; ‘Hoe kan het dat de ene arts over een patiënt hoopvol kan zijn en zijn collega het totaal niet meer ziet zitten?’; ‘Zijn we daarom afgestompt?’; ‘Is genot het hebben van een foutloos, vlekkeloos lichaam?’; ‘Wanneer is uiteindelijk iets medisch te noemen?’; ‘In hoeverre zijn we in staat om een (waarde)oordeel te vellen over wat kwaliteit van leven kan inhouden?’; ‘Wanneer is iets medisch zinloos handelen?’; ‘Correleren onze normen en waarden, waar we van uitgaan, ook met wie we zijn? Met wie we willen zijn?’; ‘Wat maakt dat we doorgaan met een behandeling?’; ‘Is de mens zijn eigen schepper?’; ‘Moet je nu een grenzeloze optimist zijn om op een ic werkzaam te zijn?’.

Het zijn vragen die de schrijver tijdens zijn werk op de intensive care al jaren bezighouden en die, neem ik aan, de basis zijn geweest om het essay te schrijven. Maar het zijn tegelijkertijd vragen waar geen antwoord op komt. Hij observeert, stelt zich een vraag en gaat daarna door. Dit laat de lezer vaak in verwarring achter, maar het zet tegelijkertijd aan om jezelf ook de vraag te stellen. Ik formuleerde mij tijdens het lezen van het essay antwoorden op de vragen die de schrijver zichzelf stelde. Hierdoor is het essay zeer lezenswaardig voor intensive care verpleegkundigen, intensivisten en fellows/ arts-assistenten op de intensive care.

Paul Kranendonk beschrijft op beeldende, voor sommigen waarschijnlijk confronterende, wijze de ‘langliggers’, de patiënten die met chronische multi-morbiditeit op de intensive care belanden en daar helaas vaak ellendig komen te sterven. Hij schrijft met emotie, maar zonder distantie. Dat maakt het essay puur maar wel gekleurd. Voor het evenwicht en een volledig beeld had hij ook enige hoofdstukken aan de échte intensive care successen moeten wijden, want die zijn er zeker. Helaas heeft hij deze kans laten liggen. Verhalen over het levensreddende werk op de intensive care ontbreken helaas.

Als je mij zou vragen wat ik het ergste vind van de intensive care dan is dat de angst, de ontluistering, de hopeloosheid, het inhumane en de eenzaamheid van sommige patiënten. Het zijn nu juist deze onderwerpen die Paul Kranendonk aangrijpend en vol van emotie zonder distantie beschrijft.

Angst. In hoofdstuk vier schrijft hij: ‘Een fase die zich als eerste aandient op de ic is angst. Verlammende angst die je bij de keel grijpt. Patiënten en naasten beschrijven het veelal als de angstigste momenten in hun leven. Een angst die alles overhoophaalt, het hele bestaan doet wankelen. Angst laat zien hoe kwetsbaar je bent, angst laat zien dat hetgene dat beheersbaar leek, weg kan vallen’. Ik moest, toen ik deze zinnen las, denken aan een recente discussie ik voerde met een theoretisch ethicus en een jurist over het vragen van toestemming voor inclusie in wetenschappelijk onderzoek. De naasten van een acuut op de intensive care opgenomen patiënt geven vervangende toestemming voor deelname aan het onderzoek van hun doodzieke naaste. Ik betoogde dat familieleden door de alles overrompelende angst en stress niet in staat zijn om informatie te ontvangen en te begrijpen. Ik vind dat het vragen van toestemming dan uitgesteld moet kunnen worden, maar dat de patiënt wel (zonder toestemming) deelneemt aan de studie. Dat heet deferred consent, uitgestelde toestemming. De ethicus en de jurist waren van mening dat stress geen valide reden was om het vragen van toestemming uit te stellen. Zij hebben geen idee wat een acute opname op de intensive care betekent voor patiënt en diens naasten. Paul Kranendonk schrijft: ‘Angst is er vooral bij naasten in een eerste moment. Angst een geliefde te verliezen, angst voor gemis, angst voor onherstelbare wending’. Deze naasten zijn, vind ik, op dat moment beslissingsonbekwaam. In die toestand toestemming vragen en krijgen leidt alleen tot een ‘wankele toestemming’ en niet een ‘weloverwogen oordeel’.

De ontluistering en het inhumane. Paul Kranendonk schrijft: ‘Ik sta bij het bed van een 78-jarige vrouw. Wat blijft er uiteindelijk van je over? Een bleek gelaat heeft ze, ingevallen ogen, ingevallen wangen, uit haar mond komt een beademingsbuis, haar kunstgebit is verwijderd, het grijze haar is dof, slap, niet meer in model, uit haar mond komt een maagsonde, in haar hals zit een infuus. Pigmentvlekken in het gezicht. Het blauwe ziekenhuisjasje hangt slap over haar bovenlichaam. Haar borst gaat op en neer doordat de beademingsmachine haar wil oplegt om te ademen. Het lichaam is door de tijd getekend, verslapt, gerimpeld. Ze heeft blauwe plekken op haar armen van de vele infusen die er tijdens de opname al geprikt zijn. Om haar polsen zitten handboeien om te voorkomen dat ze in een onbewaakt ogenblik de beademingsbuis uit haar keel trekt. Haar schaamstreek laat nog wat schamele grijze haren zien. In haar linkerlies zit een heel dik infuus waarop een dialysemachine is aangesloten. Uit haar vagina komt een bruin rubberen slangetje: een katheter om urine af te doen lopen vanuit de blaas. Uit haar rectum komt een hele dikke slang om de waterdunne ontlasting te doen aflopen. Haar knokige knieën tekenen zich af door de dunne huid die haar slappe benen omhullen’.  Hij heeft gelijk. Dit ontluisterende beeld aan het einde van een leven zien we, helaas, op de intensive care. Wat hij noemt ‘existentiële ontluistering’ (p.105). Maar gelukkig is dit niet het enige. Graag had ik gezien dat het volgende hoofdstuk over een 25-jarige vrouw zou zijn gegaan die met een longembolie en bijna dood behandeld is met ECMO en na enige tijd in goede gezondheid de intensive care had verlaten. Of de jonge vrouw die volkomen verlamd door de ziekte van Guillan-Barre mechanisch beademd is geweest en volkomen is hersteld. Want ook dat, en misschien juist dat, is intensive care geneeskunde. Wat Paul Kranendonk op pagina 103 schrijft ‘De ic is niet levensreddend. Dat is wel wat ervan wordt gedacht, maar klopt niet’ is daarom verbazend en gemakkelijk te falsifiëren. Het is gewoon niet waar. De ic kan juist wel levensreddend en dat zijn de noodzakelijke krenten in de pap. Hier doet hij de intensive care en zichzelf en het werk van artsen en verpleegkundigen te kort.

Schermafbeelding 2019-04-16 om 15.51.15

Wel is waar dat professionals op de intensive care, maar ook als hulpverleners in de eerste lijn kritisch zouden moeten nadenken wat het toevoegt aan het leven van oudere mensen om hen langdurig op de intensive care te behandelen waarna zij eindigen in het beeld dat Paul Kranendonk schetst. Ik moest, toen ik het essay las, denken aan een man die langdurig op de intensive care behandeld werd vanwege een alvleesklierontsteking. De vervreemding die de man kreeg ten opzichte van zijn lichaam. De dissociatie van de werkelijkheid. De teleurgang van zijn lichaam. Te lang hadden wij hem doorbehandeld op de intensive care. Het was niet verrassend dat Paul Kranendonk juist ook deze patiënt beschrijft in hoofdstuk 26. Deze dissociatie, het afsluiten van de werkelijkheid, is het teken dat we te ver zijn gegaan. Niet tijdig het falen van de behandeling hadden ingezien. Het is geneeskunst om dat in te zien en er vervolgens naar te handelen. Uiteindelijk staakten we de behandeling bij deze patiënt en was zijn lijden werkelijk over. Hier is intensive care niet voor.

Ik houd niet van de term ‘medisch zinloos’. Helaas gebruikt Paul deze term wel in zijn essay. Ik spreek liever over proportioneel of niet-proportioneel handelen. Het medisch handelen is, prima facie, juist en goed, maar in een bepaalde situatie of bij een bepaalde  patiënt niet meer proportioneel. Medisch zinloos is altijd zinloos vanuit medisch perspectief en dat soort handelen doen we niet in de geneeskunde. Dus kunnen we medisch zinloos handelen niet staken omdat we het in eerste instantie niet doen.

Heel af en toe slaat Paul feitelijk helaas de plank mis, maar dat is zelden. Op pagina 115 schrijft hij over hersendood. Hij zegt dat ‘…de voorwaarden waarop iemand hersendood wordt verklaard steeds veranderen’. Een voorwaarde is een omstandigheid die noodzakelijk is of gemaakt wordt wil iets anders plaats of geldigheid hebben. Juist dit is bij hersendood, al vanaf 1959, onveranderlijk gebleven. Er is bij hersendood altijd sprake geweest van irreversibele destructie van de hersenen. Deze voorwaarde staat vast en is onveranderlijk. Ook schrijft hij dat transcraniële doppler verplicht is geweest en nu niet meer wordt gebruikt. Het is nooit verplicht geweest, maar is na het laatste Gezondheidsraad advies uit 2015, een mogelijkheid geworden om aanvullend de hersendood te bewijzen.

Ik ben niet gecharmeerd van hoofdstuk 24 waar hij schrijft over kwaliteit van leven. Sommige uitspraken in dit hoofdstuk deden mij mijn wenkbrauwen fronsen. ‘De ic is niet de levenseindekliniek, maar soms zit ze er dicht tegenaan met een overlijdenspercentage van vijftien tot achttien procent,’ schrijft Paul. Het overlijdenspercentage van de levenseindekliniek is echter honderd procent, want zij behandelen geen patiënten,  de enige medische handeling die zij uitvoeren is levensbeëindiging. Honderd procent dodelijk. Ik zou de intensive care daar niet mee willen vergelijken. Daarnaast zijn de doelstellingen juist tegenovergesteld.

Kwaliteit van leven is een subjectief oordeel dat nooit objectief vast te stellen is. Paul schrijft dat kwaliteit van leven inherent is aan hoop. Ik kan het daar niet mee eens zijn. Kwaliteit van leven is een ervaringstoestand, hoop een verwachting. Op de intensive care hebben vooral de naasten hoop zoals Paul elders in het essay prachtig beschrijft. Hoop op genezing, op herstel, weer terug naar af. Ze willen de schade ongedaan maken, alsof deze er nooit geweest is. Dat is onafhankelijk van kwaliteit van leven, want deze is bij opname vooralsnog onvoorspelbaar en kan pas na ontslag van de intensive care en uiteindelijk blijken. We hebben geen kristallen bol.

Paul mag graag filosofen citeren om zijn verhaal kracht bij te zetten. Ik telde citaten van niet minder dan zesentwintig filosofen en andere denkers. Best veel. Té veel. Sommigen, zoals de eenbenige René Gude (1957-2015), worden meerdere malen door hem geciteerd. Dat had van mij niet gehoeven. Het voegt namelijk niets extra’s toe. Het betoog zonder deze citaten is krachtig genoeg en is zonder de wijze woorden van de dode mannen puurder. Op sommige plaatsen doen de citaten juist afbraak aan het betoog en zijn ze onnodig. Zo citeert hij op pagina 73 René Gude met de cliché-achtige uitspraak ‘Sterven is doodeenvoudig, iedereen kan het’. Wat Paul daarvoor en daarna zelf schrijft over het sterven is vele malen krachtiger en overtuigender dan het open deur cliché van Gude. Voegt echt niets toe. Volgende keer niet meer doen. De beeldende beschrijving van de intensive care in dit essay is immers op zichzelf krachtig genoeg.

Concluderend vind ik het essay van Paul Kranendonk een aanwinst in de narratieve beschrijvingen van intensive care geneeskunde. Wel is het helaas te eenzijdig en teveel gericht op de ethisch moeizame kant van het vak. Dat mag natuurlijk maar door te schrijven dat ic niet levensreddend is doet hij zijn eigen vak ernstig tekort. Paul schrijft: In dit essay wil ik de term ethiek zo veel mogelijk buiten beschouwing laten’ maar hij schrijft juist uitvoerig over het meest prangende ethische dilemma op de intensive care: de toename van chronisch zieke patiënten met multimorbiditeit. Voor de balans had hij enige hoofdstukken moeten schrijven over het prachtige levensreddende handelen dat ook intensive care geneeskunde is, of juist is. Voor buitenstaanders kan het essay daarom verwarrend zijn, verontrusten, verbijsteren en afschrikken. Voor de naasten van patiënten op de intensive care zal het daarom geen troost kunnen zijn. Door het op pagina 125 beschreven voorval kunnen zij zich gekwetst voelen. Voor de ervaren artsen en verpleegkundigen kan het essay voor een deel een herkenning zij. De vragen die Paul oproept in zijn boek zijn het waard om aan jezelf te stellen. En wat de titel aangaat: ik snap hem niet. Het echte leven is juist buiten de intensive care. Gelukkig maar.

Paul Kranendonk. Het echte leven is hier. Uitgeverij Gopher. ISBN 9789492984791. Bestelbaar via http://www.gopher.nl of via de boekhandel.

 

Beleefdheid

Schermafbeelding 2019-03-07 om 14.10.38

In de NRC van 2-3 maart 2019 stond een artikel van Alma Mathijssen met als titel: ‘Ik kan zélf mijn jas wel aantrekken’. In de ballon boven het artikel staat: ‘OPINIE. Seksisme’.

Alma omschrijft in dit artikel hoe een man haar, ongevraagd, behulpzaam was met het aantrekken van haar jas. Haar eerste impulsieve gedachte was ‘dat kan ik als volwassen vrouw wel zelf’ maar dan ‘is het al te laat’. De behulpzame man wipt ook haar staart nog uit haar kraag. Zij vraagt zich af of de bedoelingen van behulpzame mannen wel zo oprecht en zuiver zijn als algemeen wordt aangenomen. Alma stelt dat als mannen alleen maar vrouwen (en dus geen mannen) helpen met het aantrekken van hun jas dat dit ‘een vorm van seksisme’ is. ‘Seksisme’ geeft bij mij een nare smaak van discriminatie en onderdrukking op basis van geslacht. Alma wil er niet ‘dagelijks aan herinnerd worden dat zij vrouw is’. ‘Ik hoef er niet continue herinnerd te worden aan het feit dat ik een vagina heb,’ zo stelt zij. Om haar ongenoegen en walging over de oprechte galante daad van de man te uiten trekt zij gore bekken naar anderen zonder dat de behulpzame man het ziet.

Alma pakte het boekje ‘Hoe hoort het eigenlijk’ van Amy Groskamp-ten Have uit 1939 erbij waarin omschreven staat hoe mannen zich ten opzichte van vrouwen moeten gedragen. Etiquette heet dat in het algemeen. Gedragsregels voor in het openbaar verkeer. Deuren ophouden voor een vrouw, haar zware tassen dragen, rechts van haar gaan lopen, voor haar de trap oplopen (als zij rok of jurk aan heeft), een paraplu boven haar houden als het regent, de deur van een auto voor haar openen bij in- of uitstappen, een stoel aanschuiven, enzovoort enzoverder. Volgens Alma allemaal ‘voorschriften die uitgaan van een zwak onnozel impotent vrouwtje’. Alma wil vriendelijkheid niet de wereld uit hebben, maar er moet in de uitingen van vriendelijkheid geen onderscheid in geslacht zijn. Sommige van de voorschriften van Amy Groskamp-ten Have worden dan wel wat wonderlijk (waarom zou ik de tassen van een jonge, veel krachtiger man gaan dragen en waarom moet ik voor hem op de trap lopen (tenzij hij een kilt draagt)).

Schermafbeelding 2019-03-07 om 14.11.38

Het helpen aantrekken van een jas maakt Alma vervolgens aanvaardbaar (als mannen maar zowel mannen als vrouwen en vrouwen zowel mannen als vrouwen in de jas helpen) maar is, volgens haar, ook een verdachte en verwerpelijke handeling (‘Wilt u de persoon in kwestie in de jas helpen zodat u even aan die mens kan ruiken of kunt aanraken? Dan mag u helaas niet helpen, tenzij het overduidelijk is dat de persoon hierop zit te wachten’).

Haar insteek (mannen en vrouwen gelijk behandelen) is wellicht nog aanvaardbaar, maar de onaangename ondertoon (het is seksisme en perverselingen willen aan jassen en vrouwen ruiken en nekken aanraken) is ridicuul en gaat voorbij aan het fatsoen en beschaafdheid van vele mannen. En gaat voorbij aan evolutionair bepaalde interesse van mannen in vrouwen (biologisch bezien erg handig).

Mijn hele volwassen leven, nu zo’n veertig jaar, heb ik vele honderden vrouwen in hun jas geholpen, ik heb voor vele duizenden vrouwen een (auto)deur opengehouden, ik ben (indien zij een rok of jurk droegen) honderden van hen voorgegaan op de trap. Als mijn echtgenote op zaterdagochtend terugkomt van boodschappen doen en ik hoor haar auto aankomen, dan ga ik, al jaren en elke week weer, naar buiten om de volle boodschappentassen naar binnen te dragen. Ik heb diverse keren voor een vrouw een lekke band verwisseld.  En zo heb ik vele, vele andere beleefdheid getoond naar vrouwen. En nog nooit, werkelijk nog nooit, heeft een vrouw daar afwerend of achterdochtig op gereageerd. Sterker nog, zonder uitzondering bedanken zij mij hiervoor en reageren (verrast) aangenaam getroffen. Ik help soms, maar zeer zelden, een man in zijn jas. Ik houd voor zowel mannen als vrouwen een deur open. Ik draag nooit tassen van mannen. Lekke banden verwisselen, dat doen die mannen zelf maar. Ben ik nu een ranzige seksist?

Schermafbeelding 2019-03-07 om 14.05.11

Haar mening, zoals verwoord in de NRC, is, durf ik te stellen, echt wel afwijkend en gezocht. Waarom is zij zo achterdochtig naar de goedbedoelde handelingen van fatsoen? Ik ga daar hier niet over speculeren.

Mijn vader heeft mij, lang geleden, geleerd dat galant zijn naar vrouwen een teken van beschaving, respect en fatsoen was. Zo heb ik mij dat ingeprent en zo handelde ik mijn gehele leven en zo zal ik blijven handelen tot mijn dood toe. En het heeft mij altijd veel gelukkige momenten opgeleverd. In een tijd waarin iedereen alleen maar wezenloos op mobiele telefoons zit te loeren op zoek naar iets, waarin hufterigheid, respectloosheid en achterdocht steeds algemener worden is het fijn om aardig en galant te zijn naar anderen en daarvoor dan oprechte waardering te ontvangen. Niets zal mij er dan vanaf houden om mij galant en voorkomend naar (met name) vrouwen te gedragen. Mannen verwachten dit galante gedrag niet van andere mannen en het is daarom ook niet nodig. Maar hufterig gedrag is onnodig en verwerpelijk. Vele malen heb ik meegemaakt dat jonge, hoogopgeleide, mannen en vrouwen niet achterom kijken en de deur pal voor je neus laten dichtvallen. En in het verkeer, ach, dat zien we allemaal elke dag: wat een hufters. Wat een nare wereld. Ik zal dat nooit doen.

 

IMG_9484

In een prachtig geschreven en lezenswaardige boek ‘The gentlemen’s book of etiquette and manual of politeness’ van Cecil B. Hartley uit 1869 wordt een onderscheid gemaakt tussen etiquette en beleefdheid (‘politeness’): ‘There is a difference between politeness and etiquette. Real politeness is in-born, and may exist in the savage, while etiquette is the outward expression of politeness reduced to the rules current in good society. Aman may be polite, really si in heart, yet show in every movement an ignorance of the rules of etiquette, and offend against the laws of society. You may find him with his elbows upon the table, or tilting his chair in a parlor. You may see him commit every hour gross breaches of etiquette, yet you never hear him intentionally utter one word to wound another, you will see that he habitually endeavors to make others comfortable, choosing for them the easiest seats, or the daintiest dishes, and putting self entirely aside to contribute to the pleasure of all around him. Such a man will learn, by contact with refined society, that his ignorance of the rules which govern it, make him, at times, disagreeable, and from the same unselfish motive which prompts him to make a sacrifice of comfort for the sake of others, he will watch and learn quickly, almost by instinct, where he offends against good breeding, drop one by one his errors in etiquette, and become truly a gentleman’.

Er is dus, volgens Cecil Hartley, een verschil tussen aangeleerde etiquette en karakter. Maar een goed karakter geeft aanleiding tot beleefd en galant gedrag. En mannen doen dat graag naar vrouwen en vrouwen vinden het fijn om zo benaderd te worden. Dat gaat al eeuwen zo. Het is altijd vanuit karakter dat mannen attent, fatsoenlijk, respectvol en beleefd zijn naar vrouwen. Ik kan werkelijk niet inzien waarom een beleefd karakter te verwarren is met seksisme en de ranzige gedachten die Alma Mathijssen denk te zien in dit handelen.

En laten we eerlijk zijn, er zullen maar weinigen, mannen en vrouwen, vinden dat onderstaande foto net zo normaal is als een foto waarbij de man de takkenbos draagt en de vrouw erbij loopt. Ik krijg nare gevoelens naar de man op de foto.

Schermafbeelding 2019-03-07 om 14.07.34

Beleefde mannen van goed karakter van Nederland: ga alsjeblieft onvermoeid door met je oprechte respect tonen naar vrouwen. Hou de deur voor hen open, help hun met hun jas aantrekken, ga hen voor op trappen, hou een paraplu boven hun hoofd als het regent, draag hun tassen. Zij kunnen het vrijwel zonder uitzondering zeer waarderen en het maakt jou tot een goed mens. En vrouwen: jullie zijn echt geen ‘zwakke onnozele impotente vrouwtjes als jullie mannen toestaan om te helpen met je jas aantrekken of als zij je zware tas dragen of de deur voor je open houden. De mannen respecteren jullie juist! Laat je dus niet beinvloeden door ridicule artikelen zoals dat van Alma Mathijsen. Zeker in een tijd waarin individualisme, ongeïnteresseerdheid, hufterigheid en disrespect zo wijdverbreid zijn is beleefdheid zeer te verwelkomen en niet te bestrijden of ridiculiseren!