Calorische restrictie en kanker

mice

Het was in 1934 dat professor Clyde McCay (1898-1967), biochemicus, voedingsdeskundige en gerontoloog van de Cornell Universiteit in zijn artikel ‘Prolonging the Life Span’ in The Scientific Monthly (1934, volume 39, issue 5, pagina 405-414) aantoonde dat ratten die een laagcalorisch dieet te eten kregen opvallend langer leefden dan ratten die zoveel als zij wilden konden eten. Sindsdien zijn de door hem behaalde resultaten vele malen herhaald. Calorische restrictie werkt levensverlengend bij lagere diersoorten, maar ook bij muizen, ratten en rhesusapen. Waarschijnlijk ook bij mensen, maar daar is (uiteraard) geen gerandomiseerd prospectief onderzoek naar gedaan. Weliswaar dat individuen die zich strkt aan calorische restrictie houden en het als een levensstijl zien gezonder zijn en vrijwel geen tekenen van welvaartziekten vertonen. Er is veel ervaring opgedaan bij het Biosphere 2 onderzoek (1991) ingezet door de Amerikaanse arts Roy L. Walford (1924-2004).

Uit: Albert Tannenbaum. Effects of varying caloric intake upon tumor incidence and tumor growth. Ann NY Academy Science, 1947
Uit: Albert Tannenbaum. Effects of varying caloric intake upon tumor incidence and tumor growth. Ann NY Academy Science, 1947

In 1942 publiceerde de arts Albert Tannenbaum het artikel ‘The genesis and growth of tumors. II. Effects of Caloric restriction per se’ in het prestigieuze tijdschrift Cancer Research (1942; 2: 460-467). Het was een vervolg op het artikel ‘The initiation and growth of tumors. Introduction. i. Effects of underfeeding’ (gepubliceerd in American Journal of Cancer 1940; 30: 509-517). Hieruit was gebleken dat muizen die minder te eten kregen dan de controlegroep die ad libitum konden eten, minder kanker ontwikkelden. En als ze kanker kregen, dan was dat veel later dan in de controle muizen. Het ging om borstkanker, longkanker en sarcomen. Ook in de herhalingsstudies kon Tannebaum (later samen met zijn collega Silverstone) aantonen dat muizen met calorische restrictie langer leefden en minder kanker kregen.  Hij zetten alles nog eens mooi op een rijtje in het artikel ‘The dependence of tumor formation on the degree of caloric restriction (Cancer Research 1945; 5(11): 609-615). Hij wijst hierin vooral op de restrictie van inname van koolhydraten. ‘Less is more’, dat werd duidelijk.

Screen Shot 2013-10-24 at 15.28.33

De artikelen van Albert Tannenbaum zijn landmark artikelen voor de relatie tussen het ontstaan van kanker en calorische restrictie.

Screen Shot 2013-10-24 at 15.30.10

Vorige maand verscheen in The Oncologist het artikel ‘Nutrient restriction and radiation therapy for cancer treatment: When less is more’ van Colin E Champ en collegae. Zij stellen ‘Recently, there has been growing interest in investing the potential role of caloric restriction as a treatment intervention for age-related diseases, such as cancer, because an increasing body of literature has demonstrated a metabolic component to both carcinogenesis and tumor progression. In fact, many of the molecular pathways that er altered with caloric restriction are also known to be altered in cancer. Therfore, manipulation of these pathways using caloric restriction can render cancer cells, and most notably breast cancer cells, more susceptible to standard cytotoxic treatment with radiation and chemotherapy.’ In Juni 2013 verscheen in het tijdschrift Cell Cycle een soortgelijk artikel. Anthony D. Saleh en collegae publiceerden hun artikel ‘Caloric restriction augments radiation efficacy in breast cancer’. Zij vonden onder andere dat ‘…daily 30% reduction in total calories provided significant tumor regression than alternate day feeding’. Dit sluit aan op het review artikel van Rainer J. Klement en Ulrike Kämmerer van de afdeling Radiatie Oncologie van het Universiteits ziekenhuis van Würzburg in Duitsland. In hun mooie artikel ‘Is there a role for carbohydrate restriction in the treatment and prevention of cancer? (Nutrition & Metabolism 2011; 8:75, 16 pagina’s) verklaren zij dat kankercellen van zoetigheid houden, en dat zij met calorische restrictie deels ‘uit te hongeren zijn’.

Calorische restrictie en de gezondheidseffecten daarvan aan de ene kant en de explosieve toename van welvaartziekten, waaronder kanker, in een obese samenleving waarin overvloedig hoog-calorisch voedsel met veel koolhydraten waaronder veel geraffineerde suiker wordt gegeten aan de andere kant is de laatste jaren volop in de aandacht. En terecht.

nrm1616-f1

Zeventig jaar geleden zag Albert Tannenbaum dit al bij zijn muizen. Dat maakt zijn publicaties tot absolute klassiekers in de oncologische literatuur.

Voor hen die een goed, en wetenschappelijk gedegen, boek over calorische restrictie willen lezen: het boek van Arthur Everitt en collegae of de website van de CRsociety

cda_displayimage

‘Integratieve cardiologie’

Ik ben doorgaans niet zo onder de indruk van medische zelfhulpboeken. De auteurs geven doorgaans een vrij eenzijdig beeld van hetgeen voor zij voor staan, zonder een echt kritische analyse van de voors en tegens van hetgeen zij beschrijven. Het is met deze boeken net zo als met alle dieetboeken. Deze spreken elkaar tegen en in het ene dieet moet je bijvoorbeeld veel koolhydraten eten en geen vet en in een andere weer andersom. De leek ziet door de bomen het bos niet meer. Ik ben ook wat allergisch geworden voor de schreeuwende omslagen van dit soort boeken.

Screen Shot 2013-05-26 at 16.29.01Ik las aardige recensies van het boek ‘Reverse heart disease now’ van Stephen T. Sinatra en James C. Roberts. De recensies waren goed, maar van het ‘now’ in de titel kreeg ik de kriebels. Hartziekten zijn immers complex, het ontstaan ingewikkeld en niet zomaar te genezen. Maar goed, op basis van de recensie, wat ik op het internet vond over de auteurs, maar zeker niet op basis van de titel, bestelde ik het boek toch. Ik las het in twee dagen van kaft tot kaft. Ik moet zeggen, het is een verrassend, helder en overwogen boek. Een genot te lezen. In 253 pagina’s beschrijven de twee auteurs, zij zijn Amerikaanse cardiologen, hoe met name kransslagaderlijden (coronary heart disease) ontstaat, hoe de moderne behandeling hiervan is, en hoe secundaire preventie na een hartinfarct in elkaar zit. Maar veel belangrijker en sterk afwijkend van de visie van de meeste moderne cardiologen zien deze twee doorgewinterde cardiologen de moderne medische behandeling als symptoombestrijding en maken zij zich hard voor behandeling van de oorzaak van hart-en vaatziekten door ingrijpende lifestyle  aanpassingen. De twee artsen nemen als startmoment het moment dat door de reguliere medische zorg hart-en vaatlijden is vastgesteld. De meeste patiënten zullen vervolgens dan behandeld worden met interventiecardiologische procedures (bijvoorbeeld dotterbehandeling of stentplaatsing in een vernauwde kransslagader) en instelling op medicatie, zoals een statine, ACE-remmer, bètablokker en aspirine. Het verrassende van het boek van Sinatra & Roberts  is dat de auteurs in het tweede deel van het boek (‘How to get unclogged’) op zeer realistisch wijze de voor en nadelen van deze reguliere medicatie op een rij zetten en vervolgens overgaan op de behandeling van de oorzaak (chronische inflammatie) en weloverwogen schrijven over het innemen van supplementen en het anti-inflammatoire dieet. Integrative cardiology‘ noemen zij het en ik vind dit een heel goede formule. Vervolgens komen wel de ‘verplichte’ hoofdstukjes over lichaamsbeweging en stressreductie, maar dat zijn in het boek een beetje ondergeschoven kindjes. Zij noemen hun benadering de ‘New Cardiology’ en dat is het wel. Het is een vorm van denken over cardiologie die de meeste moderne cardiologen zal doen lachen en schouderophalen.

Het grootste deel van het boek gaat over anti-inflammatie supplementen (zoals bijvoorbeeld CoQ10, B vitamines, magnesium). De auteurs beschrijven dit op een redelijk neutrale en evidence based manier. Ik werd in ieder geval vrolijk van dit boek. Niet de ergernis die ik bij het lezen van veel zelfhulpboeken krijg. Duidelijk is dat beide auteurs een grote ervaring hebben in de reguliere cardiologie en weten hoe daar gedacht wordt en hoe de pathofysiologie van arteriosclerose in elkaar zit, iets waar veel goedbedoelde zelfhulpboeken vaak dramatisch in tekort schieten. Het boek vind ik in ieder geval een aanrader voor een ieder die zich wil inlezen over de behandeling van de oorzaak van hart-en vaatlijden, en geen genoegen neemt met alleen symptoombestrijding en wil weten welke supplementen zinvol zijn en waarom dit zo is.

Zie ook mijn pagina ‘VOEDING’ op mijn website

Pillen als symptoombestrijding: voeding als heelkunst

PillsDe ‘Zorg- en Ziekenhuiskrant’ ligt bij ons, in het Erasmus MC, in een grote stapel bij de ingang van de eetzaal. Gisteren viel mijn oog op het hoofdartikel ‘Zwembad voor IC-patiënten’. Het ging over de afdeling Intensive Care van het Nijmeegse St Radboud ziekenhuis waar men begonnen is met de revalidatie van beademde IC-patiënten in een zwembad. Een zowel briljant als gewaagd initiatief dat denk ik nog wel navolging zal gaan krijgen. Ook op de voorpagina stond de aankondiging voor een artikel op pagina drie. De titel was ‘Arts en voeding’. Mijn interesse was gewekt. Het artikel is een kort verslag van het tweede symposium Arts en Voeding dat op 19 april dit jaar in het Kennemer Gasthuis in Haarlem is gehouden. De stelling van prof dr Frits Muskiet dat artsen een ongezonde leefstijl in de geneeskunde doorgaans wel accepteren als oorzaak van allerlei aandoeningen, maar deze ongemakken vervolgens met medicatie tracht op te lossen, spreekt mij zeer aan. Geneeskunde is veelal symptoombestrijding. Artsen vinden het doorgaans veel gemakkelijker om een riedeltje pillen voor te schrijven dan aan te dringen op leefstijlverandering. Welvaartziekten zoals diabetes type 2, hart-en vaatlijden, metabool syndroom en sommige vormen van kanker worden behandeld met pillen. Zo zal een patiënt met een hartinfarct en TIA, na eerste terechte symptomatische behandeling (bijvoorbeeld een stent in een kransslagader) naar huis gestuurd worden met medicijnrecepten. Een statine (voor cholesterolverlaging), een bètablokker (om het hart minder te belasten), een aspirientje (om bloedstolling tegen te gaan) en een ace-remmer (om de bloeddruk te verlagen). Allemaal symptoombestrijding, maar geen oorzaak wegnemers. De patiënt wordt weliswaar aangeraden te stoppen met roken, wat af te vallen en wat gezonder te eten, maar dat is het dan. Waar dat gezonde eten dan uit bestaat weet men doorgaans niet. Keiharde adviezen worden door de dokter bijna nooit gegeven. Sommige cardiologen nemen het voor zich zelf ook niet zo nauw, getuige dit onderzoek naar risicofactoren voor hart-en vaatziekten bij henzelf. Hoe moeten zij dan hun patiënten adviseren? Veel (niet alle) artsen (en ik spreek hier uit ervaring) geloven niet dat aanpassing van levensstijl, en met name door voeding, medicatie kan vervangen. Toen ik zelf besloot om na een hartinfarct geen statine te gaan slikken, maar met drastische aanpassing van levensstijl en met name door voeding (ik eet groente, fruit, vis, noten, eieren en wat vlees), de chronische inflammatie in mijn lichaam te bestrijden, zei de cardioloog tegen mij : ‘Dat hou je niet vol’ en ‘Daar is geen evidence voor’ . Dat ik door aanpassing van levensstijl mijn metabole syndroom helemaal kwijt ben (ik ben 21 kilo lichaamsgewicht (met name abdominaal vet) kwijt, mijn bloeddruk is genormaliseerd, CRP (ontstekingsmarker) kleiner dan 1, triglyceriden laag), daar was de cardioloog tot mijn verbazing niet van onder de indruk. Dat ik geen pillen voor het bestrijden van de chronisch inflammatie wilde slikken, maar het zelf met voeding wilde oplossen, vond hij toch wel kwalijk. Richtlijnen, daar was immers over nagedacht en er was goed onderzoek gedaan naar statines. ‘Voeding is aanvullend, de pillen doen het! was de redenatie. Dat de big pharma’s heel veel geld verdienen aan statines (en de cholesterol mythe daarom in stand wordt gehouden) en dat je met levensstijlaanpassingen helemaal geen statines nodig zou hebben overtuigde hem in ieder geval niet.

Een tussenkop in de Zorg en Ziekenhuiskrant ‘Ons denken over eten koken en gezondheid wordt bepaald door degenen die er geld aan verdienen’ is waar in een wereld waar je moeite moet doen om voedingsmiddelen te vinden waar geen suiker of fructose aan toe gevoegd is.

De hetze tegen ‘vet’ eten heeft hoop ik zijn langste tijd wel gehad. Hoewel het ‘geloof’ in het slechte van de vetten wel heel erg hardnekkig is. De ziekmakende invloed van al die toegevoegde suikers en ander onnatuurlijk voedsel in relatie tot chronische inflammatie is vele malen groter.

Er is maar een manier om van al die welvaartsziekten af te komen en dat is een drastische aanpassing van levensstijl. En ik kan uit eigen ervaring zeggen: het werkt! Goede voeding en goede leefstijl  is heelkunst voor je lichaam: pillen zijn niet meer dan alleen maar aanvullend en symtoombestrijding. Daarmee neem je de oorzaak niet weg. De meeste patienten zoeken de oorzaak van hun lijden toch meer extern, iets wat hen overkomt en vertrouwen daarbij op symptoombestrijdingMaak zelf je keuze!

Zie ook mijn pagina ‘VOEDING‘ op mijn website

Veroudering als een slechte levensstijl keuze

Luister en kijk naar de OBA live uitzending van vrijdag 16 september, on line af te luisteren en te zien.

Alleen in beschermde omstandigheden worden organismen bejaard. In het wild, in natuurlijke omstandigheden, niet. Natuurlijke levensduur, ook wel ‘essentiële levensduur’ genoemd, gaat niet ver buiten het evolutionaire d

oel van leven: succesvolle voortplanting. Organismen die snel volwassen worden, en dus vroeg in hun levensduur zich reproduceren, hebben een korte essentiële levensduur. Een muis in het wild is snel volwassen, plant zich dan voort en sterft. Een muis in gevangenschap leeft langer voort na zich voortgeplant te hebben. De essentiële levensduur voor de mens zal zo rond de 40-50 jaar liggen, maar zoals we allemaal weten leven velen daarna nog jaren lang door. De periode bij de mens na de essentiële levensduur wordt de ouderdom (‘ageing’) genoemd. Evolutionair gezien volkomen zinloze tijd. Dat soorten buiten de essentiële levensduur in beschermde omstandigheden doorleven wordt wel het ‘life-history principle’ genoemd.

Er is geen genetische oorzaak voor veroudering, in de zin dat er ‘gerontogenen’ (ouderdomsgenen) zijn. Er zijn wel genen die invloed hebben op verouderingsverschijnselen, maar ze veroorzaken het niet.  Evolutie heeft genen geselecteerd die de soort toestaat om zijn essentiële levensduur te volbrengen, niet meer daarna. Mutaties in genen kunnen er echter wel voor zorgen dat een soort buiten zijn essentiële levensduur in goede staat doorleeft, of dat deze voor de essentiële levensduur is volbracht stokoud is geworden. Een voorbeeld hiervan is progeria, een aandoening waarbij een kind van 10 jaar alle verschijnselen heeft van hoge ouderdom. Deze genen zijn betrokken bij vele ingewikkelde biochemische paden en stoffen. De invloed van deze genen op ouderdom en veroudering is indirect.

Kind met Progeria

Sommige gerontologen denken dat ouderdom te verklaren is vanuit een progressief falen van het biologische evenwicht, hetgeen in topconditie moet zijn tijdens de essentiële levensduur, maar daarna geleidelijk bergafwaarts gaat. Het zal langzaamaan leiden tot een accumulatie van DNA schade en een falen van cellen en weefsels om te herstellen. Hierdoor ontstaan ouderdomsziekten zoals huidveroudering, hart-en vaatlijden, botverval en kanker.

Kortom, evolutie van de mens heeft in ons genetisch materiaal vastgelegd dat de soort in de essentiële levensduur optimaal kan functioneren, waardoor de soort (niet het individu) kan overleven, maar voorziet niet in een lange overleving van het individu daarbuiten. Zo bezien is het verval van homeostase, veroudering, ouderdomsziekten en dood een normale sequentie van gebeurtenissen in het leven van een individu van de soort buiten zijn essentiële levensduur in beschermde omstandigheden. Ons evolutionaire doel is immers al vervuld.

Maar we willen niet oud, brak en gebrekkig worden. We willen de dood opschuiven en graag op 100-jarige leeftijd huppelend ten onder gaan. Een ‘cure for ageing’, wil deze succesvol zijn, zal dus moeten ingrijpen op de processen die na de essentiële levensduur optreden en het organisme bergafwaarts helpen. Geneeskunde is bij machte om ouderdomsgerelateerde ziekten uit te stellen, te genezen, symptomen draagbaar te maken en hierdoor onze levensduur te verlengen. Hierdoor wordt weliswaar onze levensduur verlengd, maar veroudering niet een definitief halt toe geroepen. Genezen van een kanker zal het individu later in zijn leven bezwijken aan Alzheimer of cardiovasculair falen. En dat alles in een lichaam met een verouderde huid. Wordt het individu niet door de hond gebeten, dan wel door de kat. Sommigen (zoals Aubrey de Grey) zien veroudering als een ziekte, een onnatuurlijk proces, net als kanker of artritis, dat te behandelen en misschien wel te genezen is. Ik geloof hier niet zo in. Ik zie veroudering als overleving buiten de essentiële levensduur in beschermde omstandigheden (zoals een dak boven je hoofd en vers drinkwater) en door de mogelijkheden van de moderne geneeskunde.

We kunnen onze levensduur wel verlengen door inname van allerlei supplementen en stoffen. Bijvoorbeeld kinetine is een bewezen antiveroudering stofje. Dit cytokine, een planten hormoon werd in 1923 door Miller en Skoog geïsoleerd. Met name de huid veroudert minder snel na inname van deze stof. Daarom wordt het in allerlei anti-huidverouderingszalfjes gestopt. Een andere anti-verouderingsstof is carnosine, een krachtige antioxidant. We hebben deze stof gewoon in ons lijf, maar Carnosine verdwijnt op hoge leeftijd snel (tot meer dan 60%) uit de spieren van de mens, hetgeen aanleiding geeft tot spierverlies bij bejaarden. De dunne beentjes van opa vinden hier hun oorzaak. Gelukkig is carnosine als supplement makkelijk te verkrijgen.

Een ouder individu kan nog meer doen om de gebrekkige ouderdom of dood uit te stellen of op te schuiven. Er is een flinke hoeveelheid bewijs dat het lichaam blootstellen aan lage hoeveelheden anderszins schadelijke invloeden heilzaam kan zijn voor het organisme. Dit wordt ‘hormesis‘ genoemd. Hormesis in veroudering wordt gekenmerkt door het positieve effect van lichaamscellen op regelmatige matige stressoren. Het lichaam beschermt tegen de schadelijke invloed van de matige stressor, maar ruimt tegelijkertijd schade aan cellen en weefsels op een effectieve manier op. Bijvoorbeeld lichaamsbeweging is zo’n matige stressor. Vijf keer per week een uur flink wandelen is heilzaam tegen veroudering en teloorgang van het lichaam. Ook naar de sauna gaan, zwemmen, een tweetal glaasjes alcohol per dag zijn voorbeelden van zulke heilzame stressoren. Ook calorische restrictie schijnt zo te werken. Individuen die een laagcalorische dag inname aan voedsel hebben tonen een betere DNA reparatie capaciteit in de witte bloedlichaampjes. Hierdoor gaat veroudering aanzienlijk langzamer. Minder eten en laag calorisch verlengd het leven in goede staat. Ook af en toe vasten werkt op deze manier.

Dus over boord al die simpele suikers (geen koekjes en frisdranken meer) en verzadigde vetten (geen zoogdiervlees en andere vette zooi meer), regelmatig bewegen (koop een hond!), naar de sauna gaan, een goed glas rode wijn en wat supplementen als carnosine doet het leven verlengen na de essentiële levensduur. Zo wordt een soort van onsterfelijkheid bereikt. In ieder geval een wat meer vitale oude dag. Slechts weinigen weten deze verandering van levensstijl echter op te brengen en de meeste mensen zullen dus ongezond oud worden, allerlei oude-dag-kwalen oplopen of vroeg sterven. De meesten zullen na het voltrekken van hun essentiële levensduur sneuvelen aan een toenemend falen van hun organisme, kanker, hart- en vaatlijden, de kwalijke gevolgen van hoge bloeddruk, in elkaar gezakte botten en verschrompelende breinen. De vraag is echter of de mensen die de ouderdom hebben weten op te schuiven in een betere kwaliteit van leven zullen omvallen. Het zal onvoorkoombaar ongelijkheid veroorzaken. Het is zoals zoveel in het leven: het is een keuze.

120 jaar oud worden

Luister naar OBA Live, vrijdag 16 sepetember 2011, 19.00 Radio 5

Stel dat je honderdtwintig jaar oud zou kunnen worden. Zou je dat dan willen? Velen zullen in eerste instantie volmondig ‘ja’ zeggen, maar zullen ze dat ook doen als ze er langer over na hebben gedacht? Dan komen bij velen de ‘maren’. ‘Maar wel in goede gezondheid’; ‘Maar wel als mijn dierbaren ook zo oud zouden worden’; ‘Maar wel als ik nog alles kan doen als toen ik dertig was’. Ja, en dat is allemaal maar de vraag. De ‘zeer-ouden’ van nu (de enkeling die meer dan 100 jaar oud is geworden) klagen toch wel over de lichamelijke mankementen en als je hun portret in de krant ziet staan zijn het wel erg verschrompelde oude besjes. Ze zijn wel allemaal mager en zijn in vrijwel alle gevallen geestelijk nog alert en kien. Vraagt de interviewer door ‘hoe ze zo oud zijn geworden’, dan zeggen de meeste: ‘sober leven, dagelijks een glaasje wijn, niet roken, veel lezen, een wandeling dagelijks’. En daar zit de crux. In de huidige wetenschappelijke discussie over onsterfelijkheid zie je dit terugkomen: ‘calorische restrictie’ (als je weinig calorieen tot je neemt leef je langer, in ieder geval blijkt dat bij muizen op een streng dieet), ‘gezond eten’ (het bekende mediterrane dieet: veel vis, geen vlees, veel brood, olijfolie, noten, fruit, verse groente en dat alles overgoten met een glaasje rode wijn. Er blijkt zelfs evidence te zijn dat bestaande cholesterolplakken in bloedvaten verdwijnen nadat iemand dit dieet is gaan volgen), ‘houd je brein bezig’ (puzzelende bejaarden zijn geestelijk in betere doen dan zij die alleen maar naar de achterkant van geraniumblaadjes turen) en ‘rust roest’ (blijf minimaal een half uur per dag actief wandelen, dan daalt het LDL en cholesterol in je bloed, klopt je hart beter, zijn je longen schoner en je gewrichten soepeler) en ja, over roken hoef ik niet veel te zeggen, dat is alleen maar levensverkortend.

Het probleem met extreem oud worden is dat je dat in de meeste gevallen alleen doet, in ieder geval alleen in je eigen groep van dierbaren waarmee je het levenspad afloopt. Onderweg vallen de meeste af, en ben je na je 85ste meestal alleen over. Zoals Maarten Toonder op 90+ leeftijd zei: ‘Ik ben maximaal onthecht’. Alles wat hem dierbaar was had hij verloren: zijn zicht, zijn vaardigheid om te schrijven en tekenen, zijn dierbaren.

Een ander gigantisch probleem zou zijn als we met z’n allen 120 jaar oud zouden worden. Waar laten we al die mensen als de aanwas door geboorte gelijk blijft? We hebben nu, terwijl miljoenen voortijdig doodgaan aan infectieziekten (AIDS), overvreten (al die simpele suikers en verzadigde vetten die velen achteloos naar binnen werken en die zich gelijk als vet neerslaan in buikwanden en kransslagaders) en zich een longkanker of ander ellendige kanker roken, al ruimtetekort in de wereld. Als al die miljoenen niet voortijdig dood zouden gaan, dan hebben we in no-time een serieus probleem.

Nee laten we maar gewoon sterfelijk blijven en er (als we daar zin in hebben en dat willen, want het is voor velen een keuze) zo ergens tussen de 80-90 doodgaan. De rest (die dat niet willen of kunnen) gaan toch wel eerder.

Onsterfelijkheid is een illusie en dat is maar goed ook.